22 maart 2016
Strafkamer
nr. S 15/02370
ABO/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 2 juli 2013, nummer 21/004156-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de oproeping van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2013 rechtsgeldig is betekend. Het voert daartoe aan dat de oproeping niet aan de Griffier van de Rechtbank Oost-Nederland maar aan de Griffier van de Rechtbank Noord-Holland had dienen te worden uitgereikt.
De verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank Haarlem van 7 december 2010 bij arrest van 2 juli 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden. De procesgang in deze zaak is, in de samenvatting van de Advocaat-Generaal in zijn conclusie onder 4, als volgt geweest:
"Verdachte is bij vonnis van 7 december 2010 door de Rechtbank Haarlem veroordeeld. Het arrest van het Hof is gebaseerd op het onderzoek ter terechtzitting van 18 juni 2013. De zaak heeft in hoger beroep voor het eerst gediend op 7 februari 2012. Er is toen verstek verleend en de zaak is op schriftelijk verzoek van de verdachte aangehouden. Op 2 juli 2012 is verdachte verschenen en is de zaak om verschillende redenen opnieuw aangehouden. De verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2013 niet verschenen. Het onderzoek is opnieuw aangevangen. Uit de ID-staat SKDB volgt dat op het moment dat werd getracht de oproeping voor de zitting van 18 juni 2013 uit te reiken, de verdachte geen GBA-adres had. Er is blijkens de akte een oproeping aan de griffier van de Rechtbank Oost-Nederland uitgereikt. Tevens is gepoogd om de oproeping uit te reiken aan het laatst bekende adres van de verdachte, maar uit de betekeningsakte volgt dat dit niet is gelukt, omdat de in de adressering aangegeven woning niet bestond. Ook deze oproeping is aan de griffier van de Rechtbank Oost-Nederland uitgereikt."
Gelet op de bijzonderheden waardoor deze zaak wordt gekenmerkt is het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. De schriftuur bevat evenwel niet de in HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.6.2 bedoelde, in zo een geval vereiste toelichting met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep - het in de schriftuur aangevoerde kan niet gelden als zo een toelichting - en het (rechtens te respecteren) belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof met het oog op een nieuwe behandeling.
Gelet hierop zal de Hoge Raad - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2016.