ECLI:NL:HR:2016:70

ECLI:NL:HR:2016:70, Hoge Raad, 15-01-2016, 14/06070

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 15-01-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/06070
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2015:2495
Formele relatie: ECLI:NL:GHDHA:2014:2863
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 15 zaken
Aangehaald door 25 zaken
21 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0001833 BWBR0003045 BWBR0005289 BWBR0005290 BWBR0005291 BWBR0012092 BWBR0020809 BWBR0030068 BWBR0031432 CELEX:31991L0068 CELEX:32000L0035 CELEX:32008R0593 CELEX:32011L0007 CELEX:32012R1215 EU:31991L0068 EU:32000L0035 EU:32008R0593 EU:32011L0007 EU:32012R1215

Samenvatting

Contractenrecht. Schadevergoeding wegens ontbinding handelstransactie. Wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW)? Overige klachten art. 81 lid 1 RO (art. 74 Weens Koopverdrag; dekkingskoop?) .

Uitspraak

15 januari 2016

Eerste Kamer

14/06070

LZ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de vennootschap naar vreemd recht INTEGRATED LOGISTICS CO.,gevestigd te Dasman, Koeweit,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,

t e g e n

[verweerster],gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.E. Gelpke.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als ILC en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 369964/HA ZA 11-58 van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2011 en 16 mei 2012;

b. de arresten in de zaak 200.107.832/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 april 2013 en 26 augustus 2014.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 26 augustus 2014 heeft ILC beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

ILC heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, [verweerster] heeft geconcludeerd tot referte ten aanzien van onderdeel 7 van het principaal beroep en voor het overige tot verwerping.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor ILC mede door mr. J.W.M.K. Meijer.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot:

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2-1.15. Kort samengevat en voor zover in cassatie nog van belang gaat het om het volgende.

(i) Op 3 februari 2007 heeft [verweerster] een nog te produceren rupskraan (hierna: de kraan) van de fabrikant Demag te Zweibrücken (Duitsland) gekocht voor een bedrag van € 6.062.500,--. De koopprijs moest in zijn geheel een week voor de levering worden betaald.

(ii) Bij overeenkomst van augustus 2007 (hierna: de koopovereenkomst)heeft [verweerster] de kraan verkocht aan ILC voor een bedrag van € 6.850.000,--. Daarbij werd mede overeengekomen dat een gebruikte kraan (de ruilkraan) voor een bedrag van € 3.100.000,-- tot (deel)betaling van de koopprijs voor de kraan zou dienen. Op 23 maart 2009 zijn partijen in een amendement onder meer overeengekomen de inruilwaarde van de ruilkraan te verlagen tot € 2.750.000,--.

(iii) ILC heeft een aanbetaling van € 250.000,-- aan [verweerster] gedaan. ILC heeft de restant-koopsom uitsluitend willen voldoen door middel van een letter of credit. [verweerster] is daarmee niet akkoord gegaan.

(iv) [verweerster] heeft bij e-mail van 27 april 2009 de koopovereenkomst en het amendement ontbonden verklaard op grond van een tekortkoming van ILC, daarin omschreven als “mainly your non compliance with the payment terms as agreed between parties”.

(v) De rechtsverhouding tussen partijen wordt ingevolge art. 9 van de koopovereenkomst beheerst door het Weens Koopverdrag en, aanvullend, door nationaal Nederlands recht.

In dit geding heeft [verweerster] (in reconventie) schadevergoeding gevorderd ten belope van € 537.500,-- (haar gemiste winst van € 787.500,-- minus de aanbetaling van € 250.000,--), vermeerderd met wettelijke handelsrente en kosten, op grond van een toerekenbare tekortkoming van ILC, ten gevolge waarvan [verweerster] winst heeft gederfd.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen op de grond dat weliswaar sprake is van een toerekenbare tekortkoming van ILC, op grond waarvan [verweerster] de koopovereenkomst en het amendement mocht ontbinden, maar dat [verweerster] daardoor geen schade heeft geleden nu zij de kraan voor een hogere prijs dan met ILC overeengekomen heeft kunnen doorverkopen.

In hoger beroep heeft [verweerster] haar eis gewijzigd en vordert zij (onder meer) veroordeling van ILC tot betaling van € 787.500,--, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Het hof heeft de vordering toegewezen.

In onderdeel 7 klaagt ILC dat het hof heeft miskend dat de verplichting tot vergoeding van wettelijke handelsrente ingevolge art. 6:119a BW geldt indien betaling van het op grond van de desbetreffende handelsovereenkomst verschuldigde bedrag niet tijdig plaatsvindt, maar niet in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een verplichting tot schadevergoeding in verband met ontbinding van een handelsovereenkomst.

Art. 6:119a BW is ingevoerd ter implementatie van Richtlijn 2000/35/EG van het Europees parlement en de Raad van 29 juni 2000 (thans Richtlijn 2011/7/EU) betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties. Ingevolge art. 3 van eerstgenoemde richtlijn is de in lid 1 onder d van die bepaling bedoelde (handels)rente verschuldigd ingeval van niet tijdige betaling van een geldsom voortvloeiende uit een handelsovereenkomst. In de considerans is onder 13 (en in Richtlijn 2011/7/EU onder 8) vermeld:

“Deze richtlijn heeft enkel betrekking op betalingen tot vergoeding van handelstransacties en strekt niet tot regulering van (...) betalingen bij wijze van schadeloosstelling (...).”

Uit de parlementaire geschiedenis van (onder meer) art. 6:119a BW blijkt dat de wetgever geen ruimer toepassingsbereik heeft beoogd dan uit de richtlijn voortvloeit (Kamerstukken II 2001-2002, 28 239, nr.3, p. 10).

Nu het in dit geval gaat om toewijzing van een vordering tot schadevergoeding in verband met ontbinding van een handelsovereenkomst, mist art. 6:119a BW, gelet op het voorgaande, toepassing (zie HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:40, NJ 2013/368). Uit het Weens Koopverdrag vloeit niet het tegendeel voort. Art. 78 van het verdrag bepaalt slechts dat ingeval van vertraging in de voldoening van een geldsom rente verschuldigd is, zonder de hoogte daarvan te specificeren. Het onderdeel slaagt dan ook.

De in de onderdelen 1-6 geformuleerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu [verweerster] wettelijke handelsrente heeft gevorderd, dient te worden aangenomen dat zij tevens aanspraak maakt op het mindere, te weten de wettelijke rente. Deze komt op de voet van art. 6:119 BW voor vergoeding in aanmerking.

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat de onderdelen 1-6 van het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leiden, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

Hoewel [verweerster] zich in cassatie ten aanzien van onderdeel 7 heeft gerefereerd, heeft zij, door ook in hoger beroep de wettelijke handelsrente te vorderen, de beslissing van het hof ter zake uitgelokt. Zij zal dan ook in de kosten worden veroordeeld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 augustus 2014 voor zover daarbij de wettelijke handelsrente is toegewezen;

in zoverre opnieuw recht doende: veroordeelt ILC om aan [verweerster] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW, over € 537.500,-- met ingang van 23 februari 2011 en over € 250.000,-- met ingang van 3 juli 2013, tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ILC begroot op € 6.554,70 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 15 januari 2016.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 2016/51 met annotatie van NJB 2016/207 AR 2016/135 RvdW 2016/144 JWB 2016/41 RCR 2016/28 NTHR 2016, afl. 2, p. 104 TvPP 2016, afl. 3, p. 67
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?