29 april 2016
Eerste Kamer
16/00027
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [verzoekster 1],wonende te [woonplaats],
2. [verzoeker 2],wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. M. Littooij.
Verzoekers zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster 1] en [verzoeker 2].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/16/398530/FT RK 15-1763 van de rechtbank Midden-Nederland van 1 oktober 2015;
b. het arrest in de zaak 200.178.178 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 december 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [verzoekster 1] en [verzoeker 2] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van [verzoekster 1] en [verzoeker 2] heeft bij brief van 4 maart 2016 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 29 april 2016.