9 juni 2017
Eerste Kamer
17/00915
TT/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/08/179850/HA RK 15/255 van de rechtbank Overijssel van 23 november 2016.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
Op 16 mei 2017 is bij de griffie van de Hoge Raad een brief van [verzoeker] ingekomen, waarin hij opnieuw om uitstel verzoekt. De Hoge Raad wijst dit verzoek af.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De op 21 februari 2017 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen brief van [verzoeker] voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, omdat de brief niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim kan worden hersteld door dezelfde brief binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Dit brengt mee dat [verzoeker] in zijn beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 9 juni 2017.