ECLI:NL:HR:2017:1343

ECLI:NL:HR:2017:1343, Hoge Raad, 14-07-2017, 15/03521

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 14-07-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/03521
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2016:1042
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2015:4080
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 13 zaken
Aangehaald door 17 zaken
30 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0002320 BWBR0005537 BWBR0008032 CELEX:31979R1430 CELEX:31979R1697 CELEX:31986R3069 CELEX:31992R1591 CELEX:31992R2913 CELEX:31993R2454 CELEX:31996R0384 CELEX:31997R0515 CELEX:31997R1069 CELEX:31997R2398 CELEX:32000D0597 CELEX:32002R0160 CELEX:32003R1335 CELEX:32004R0397 CELEX:32004R0907 CELEX:32006R0695 CELEX:32011R0258 CELEX:32011R0917 CELEX:32012R0627 CELEX:32013R0952 EU:31979R1430 EU:31979R1697 EU:31986R3069 EU:31992R1591 EU:31992R2913 EU:31993R2454

Samenvatting

Douanerechten; artt. 236, 237, 238 en 239 CDW; artt. 900 tot en met 905 UCDW; invoer van verse knoflookbollen; navordering wegens onjuiste tariefindeling (zie [arrest nr. 08/01640bis,] BNB 2011/124); verzoek om terugbetaling op de grond dat sprake is van gewekt vertrouwen en/of een bijzondere situatie; verplichting douaneautoriteiten om verzoek om terugbetaling ruim op te vatten; een eerdere afwijzing van een verzoek om terugbetaling op basis van gewekt vertrouwen staat niet eraan in de weg dat in een volgend verzoek opnieuw op een beroep op gewekt vertrouwen wordt beslist.

Uitspraak

14 juli 2017

nr. 15/03521

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 juli 2015, nr. 14/00058, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 13/2498) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op een verzoek om terugbetaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 17 oktober 2016 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:1042).

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het middel

Het Hof heeft het verzoek van belanghebbende om terugbetaling respectievelijk kwijtschelding van de geheven douanerechten aangemerkt als een op de voet van artikel 239 van het Communautair Douanewetboek (hierna: het CDW) ingediend verzoek. Dit verzoek is naar het oordeel van het Hof terecht afgewezen omdat de daartoe aangevoerde omstandigheden geen bijzondere situatie vormen als bedoeld in deze bepaling in samenhang gelezen met artikel 905 van de Uitvoeringsverordening Communautair Douanewetboek.

In het kader van de hiervoor in 2.1.1 bedoelde beoordeling heeft het Hof vastgesteld dat belanghebbende met het noemen van een aantal omstandigheden refereert aan artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW op grond waarvan de douaneautoriteiten zijn gehouden af te zien van navordering van douanerechten als sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten en aan de in dat artikel gestelde voorwaarden is voldaan. Het Hof heeft geoordeeld dat een vergissing als bedoeld in artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW op zichzelf geen bijzondere situatie kan vormen voor de toepassing van artikel 239 van het CDW aangezien deze bepaling ziet op terugbetaling of kwijtschelding in andere gevallen dan die bedoeld bij (onder meer) artikel 236 van het CDW. De vergissing waaraan belanghebbende refereert kan, aldus het Hof, enkel aan de orde komen in een procedure over de toepassing van artikel 236 van het CDW en niet in een procedure, zoals hier, over de toepassing van artikel 239 van het CDW.

Belanghebbendes klacht over de (niet) buitenwerkingstelling van een aantal aangiften kan naar het oordeel van het Hof evenmin tot terugbetaling op grond van artikel 239 van het CDW leiden omdat, aldus het Hof, ongeldigmaking van een aangifte op grond van artikel 66 van het CDW en artikel 251 van het CDW een recht op terugbetaling verschaft op de voet van artikel 237 van het CDW. Uit artikel 239, lid 1, van het CDW volgt, aldus het Hof, dat deze bepaling ziet op andere gevallen dan die bedoeld bij (onder meer) artikel 237 van het CDW, zodat een weigering van de inspecteur om aangiften buiten werking te stellen, geen bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het CDW kan vormen.

Voor zover het middel is gericht tegen de hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordelen van het Hof wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 239, lid 1, van het CDW kan ook tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238 van het CDW.

Uit de hiervoor vermelde bepalingen van het CDW kan – anders dan in de oordelen van het Hof ligt besloten – niet worden afgeleid dat voor toepassing van elk van de hiervoor vermelde bepalingen een afzonderlijke procedure moet worden gevoerd, in die zin dat een belanghebbende voor toepassing van een van de hiervoor vermelde bepalingen van het CDW een afzonderlijk verzoek om terugbetaling of kwijtschelding moet doen waarop door de inspecteur (afzonderlijk) wordt beslist. Indien in een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding een van de hiervoor vermelde bepalingen van het CDW wordt genoemd terwijl de daartoe aangevoerde omstandigheden niet overeenkomen met het in de desbetreffende bepaling bedoelde geval maar wel met dat bedoeld in een van de andere bepalingen, ontslaat dat de douaneautoriteiten en de rechter niet van de verplichting te onderzoeken of de in het verzoek aangevoerde omstandigheden in aanmerking komen voor toepassing van een andere bepaling (vgl. onder meer de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 september 1999, De Haan Beheer B.V., C-61/98, ECLI:EU:C:1999:393, punt 28, van 11 november 1999, Firma Söhl & Söhlke, C-48/98, ECLI:EU:C:1999:548, punt 89, en van 12 februari 2004, Hamann International GmbH, C-337/01, ECLI:EU:C:2004:90, punten 34 en 35).

De hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordelen van het Hof geven derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt in zoverre.

Het middel voor het overige, waaronder de klacht die is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden niet een bijzondere situatie vormen in de zin van artikel 239 van het CDW, kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

3. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof, van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding terug naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2017.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2017/1842 met annotatie van Martijn Schippers BNB 2017/206 met annotatie van M.J.W. van Casteren Douanerechtspraak 2017/77 met annotatie van Hollebeek, J.A.H. NTFR 2017/1909 met annotatie van mr. G. van Dam DouaneUpdate 2017-0398 FutD 2017-1768 Viditax (FutD) 2017071407
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?