ECLI:NL:HR:2017:2252

ECLI:NL:HR:2017:2252, Hoge Raad, 05-09-2017, 17/01353

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 05-09-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17/01353
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Raadkamer
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2017:875
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 7 zaken
Aangehaald door 1 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001840 BWBR0002170 BWBR0005537 BWBR0006445 BWBR0008365

Samenvatting

Vierde kamer zaak. Verzoekster is n-o in haar cassatieberoep tegen de beslissing van de PG om geen vordering tot ontslag van 3 raadsheren bij de CRvB bij de HR in te dienen; geen wettelijke bepaling biedt de mogelijkheid een rechtsmiddel aan te wenden tegen een dergelijk besluit van de PG. HR merkt verder op dat art. 1:1.2.g Awb de PG niet als een bestuursorgaan aanmerkt, hetgeen meebrengt dat de rechtsmiddelen die in de Awb zijn voorzien n.v.t. zijn op beslissingen van de PG. Verzoekster is verder ook n-o in haar verzoek dat de HR tot het ontslag van de raadsheren zal beslissen of een onderzoek ter zake zal instellen, zonder daartoe strekkende vordering van de PG. Art. 46o.1 Wrra bepaalt dat de HR de in hoofdstuk 6A bedoelde beslissingen (waaronder ontslag ex art. 46l.1.a) neemt op vordering van de PG bij de HR. HR heeft geen wettelijke bevoegdheid om het verzoek van verzoekster tot onderzoek of ontslag in behandeling te nemen zonder daartoe strekkende vordering van de PG en heeft ook niet de wettelijke bevoegdheid om de PG opdracht te geven om een (on)geschiktheidsonderzoek t.a.v. een rechterlijk ambtenaar te doen of om een vordering tot ontslag van een zodanige ambtenaar in te dienen.

Uitspraak

2. Raadkamer

Op 7 juni 2017 is de zaak door de Vierde Kamer van de Hoge Raad in raadkamer behandeld. Het standpunt van verzoekster is bij die gelegenheid mondeling toegelicht door haar gemachtigde, onder overlegging van pleitaantekeningen. De procureur-generaal heeft ter zitting een conclusie genomen, waarop de gemachtigde mondeling heeft gereageerd. Van het verhandelde in raadkamer is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het "beroep (in cassatie)" en de overige verzoeken van verzoekster

Aan de orde is allereerst de vraag of de verzoekster beroep (in cassatie) kan instellen tegen de beslissing van de procureur-generaal om geen vordering tot ontslag bij de Hoge Raad in te dienen.

Die vraag moet ontkennend worden beantwoord aangezien er geen wettelijke bepaling is die de mogelijkheid biedt een rechtsmiddel aan te wenden tegen een dergelijk besluit van de procureur-generaal. Daarbij verdient opmerking dat artikel 1:1, lid 2, onder g, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad niet als een bestuursorgaan wordt aangemerkt. Dat brengt mee dat de rechtsmiddelen die in de Algemene wet bestuursrecht zijn voorzien, niet van toepassing zijn op beslissingen van de procureur-generaal.

Voor zover verzoekster beoogt om de Hoge Raad tot het ontslag van de door haar genoemde raadsheren te laten beslissen of een onderzoek ter zake in te stellen zonder daartoe strekkende vordering van de procureur-generaal, heeft het volgende te gelden.

Artikel 46o, lid 1, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Wrra) bepaalt dat de Hoge Raad de in hoofdstuk 6A van de Wrra bedoelde beslissingen (waaronder het in artikel 46l, lid 1, onder a, Wrra genoemde ontslag) neemt op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft daarom geen wettelijke bevoegdheid om het verzoek van verzoekster tot onderzoek of ontslag in behandeling te nemen zonder daartoe strekkende vordering van de procureur-generaal.

De Hoge Raad heeft ook geen wettelijke bevoegdheid om de procureur-generaal opdracht te geven om een (on)geschiktheidsonderzoek ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar te doen of om een vordering tot ontslag van een zodanige ambtenaar in te dienen.

Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat het recht van de Europese Unie niet tot een andere uitkomst dwingt. De Hoge Raad ziet daarom geen aanleiding tot het stellen van prejudiciƫle vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals door verzoekster is verzocht.

Op grond van het voorgaande komt de Hoge Raad tot het oordeel dat verzoekster niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar "beroep (in cassatie)" en in de overigens door haar ingediende verzoeken.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar "beroep (in cassatie)" tegen de beslissing van de procureur-generaal bij de Hoge Raad om geen vordering in te dienen tot ontslag van drie raadsheren bij de Centrale Raad van Beroep en in de overigens door haar bij de Hoge Raad ingediende verzoeken.

Deze beslissing is genomen door de president M.W.C. Feteris, als voorzitter, de vice-president C.A. Streefkerk en de raadsheer V. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier J. Storm, en is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2017.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RvdW 2017/939 NJ 2017/399 met annotatie van F. Vellinga-Schootstra
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?