20 november 2018
Strafkamer
nr. S 17/01742 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 8 februari 2017, nummer RK 16/3220, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klaagster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank heeft miskend dat op grond van het toepasselijke Belgisch recht de klaagster redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt.
Het klaagschrift behelst een beklag tegen het voornemen van de Officier van Justitie om de onder de klaagster inbeslaggenomen personenauto op de voet van art. 116, tweede lid onder a, Sv aan een derde-belanghebbende terug te geven en houdt tevens een verzoek in tot teruggave aan de klaagster van de personenauto.
De Rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
"De rechtbank (...) heeft (...) kennisgenomen van de van toepassing zijnde artikelen van het Belgisch Burgerlijk Wetboek en artikel 3:86 lid 3 sub a BW. Kort gezegd dient de rechtbank na te gaan of klaagster kan worden aangemerkt als verkrijger te goeder trouw. Hierbij zijn alle omstandigheden van belang.
De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken is gebleken dat het betreffende voertuig op 17 april 2016 in Frankrijk is gestolen en dat [betrokkene 1] daarvan aangifte heeft gedaan. De broer van klaagster heeft de auto via een Duitse internetsite gezien en heeft een afspraak gemaakt met de verkoper om de auto dezelfde dag nog in België te kopen en over te dragen. Deze overdracht heeft vervolgens plaatsgevonden in Luik, op een parkeerplaats naast een supermarkt.
Klaagster stelt dat de prijs van de auto marktconform was en dat alvorens de auto werd gekocht op de website "Stopheling" is gecontroleerd of de auto niet als gestolen stond gesignaleerd. Vervolgens is de auto aangeboden bij de RDW op 10 mei 2016. Uit onderzoek door de RDW op 11 mei 2016 is gebleken dat de auto in Frankrijk als gestolen stond gesignaleerd en dat de meegeleverde autopapieren vals waren.
De rechtbank is van oordeel dat klaagster onder de geschetste omstandigheden onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de herkomst van de in Duitsland aangeboden auto en daarmee niet kan worden aangemerkt als een verkrijger te goeder trouw.
De rechtbank is van oordeel dat teruggave aan klaagster om die reden niet gerechtvaardigd, te meer nu duidelijk is geworden dat de betreffende auto in Frankrijk is gestolen van [betrokkene 1], die daarmee een groter recht lijkt hebben op teruggave aan haar."
In een geval als het onderhavige - waarin het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert en de Officier van Justitie heeft medegedeeld voornemens te zijn de inbeslaggenomen zaak te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene - zal de rechtbank moeten beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende op de zaak kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar daarbij zal hij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov 2.12 en 2.13). Dat uitgangspunt van terughoudendheid geldt te meer indien voor de beoordeling van die kwesties het recht van een ander land van belang kan zijn. De door het middel verdedigde opvatting dat naar Belgisch recht had moeten worden vastgesteld of de klaagster redelijkerwijs als rechthebbende van de inbeslaggenomen personenauto kan worden aangemerkt, vindt derhalve geen steun in het recht.
De klacht faalt. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2018.