11 december 2018
Strafkamer
nr. S 17/01452 B
SG/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 7 februari 2017, nummer RK 16/006625, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het tweede middel
Het middel klaagt dat de beschikking van de Rechtbank in strijd met art. 24, tweede lid, Sv niet is ondertekend door de voorzitter van de (meervoudige kamer van de) Rechtbank noch door de griffier.
Bij de op de voet van art. 447, tweede lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een fotokopie van de in het middel genoemde beschikking, welke beschikking niet door de voorzitter noch door de griffier is ondertekend. Op deze fotokopie is een door de griffier gewaarmerkte stempelafdruk "voor fotokopie conform" geplaatst. Op grond daarvan moet worden aangenomen dat de griffier aldus heeft vastgesteld dat deze fotokopie dezelfde inhoud heeft als de door de Rechtbank gewezen en uitgesproken beschikking.
Art. 24, tweede en derde lid, Sv luidt:
"2. De beschikking vermeldt de namen van de leden van het college, door wie en de dag waarop zij is gewezen. Zij wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier die bij de behandeling tegenwoordig is geweest.
3. Bij ontstentenis van de voorzitter tekent een lid van de raadkamer. Indien de griffier niet tot ondertekening in staat is wordt daarvan in de beschikking melding gemaakt."
Het middel berust op de opvatting dat het voorschrift van art. 24, tweede lid, Sv inzake de ondertekening van de beschikking van zodanig essentiële aard is dat de enkele niet-naleving daarvan nietigheid tot gevolg heeft. Die opvatting is - mede gelet op de wetsgeschiedenis die in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.8 sub 4.7 is weergegeven - evenwel onjuist. Daarom faalt het middel.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 december 2018.