ECLI:NL:HR:2019:1283

ECLI:NL:HR:2019:1283, Hoge Raad, 19-07-2019, 19/02017

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 19-07-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/02017
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2019:176
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2019:784
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 5 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0002448

Samenvatting

Verstekverlening in cassatie. Regelgeving inzake digitaal procederen (KEI). Betekening van oproepingsbericht en procesinleiding na uiterste verschijndatum (art. 30a lid 3, onder c, Rv en art. 112 Rv). Aanzegging van nieuwe uiterste verschijndatum. Herstel van aanduiding van verweerder in cassatie.

Uitspraak

2. Beoordeling van het verzoek tot verstekverlening

Het verzoek tot verstekverlening is gedaan in een zaak waarop het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding op 1 maart 2017 van de regelgeving inzake digitaal procederen in vorderingszaken in cassatie.

Art. 139 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat, indien het oproepingsbericht is betekend, de verweerder niet in de procedure verschijnt en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, tegen de verweerder verstek wordt verleend.

In deze zaak diende ingevolge art. 112 lid 1 Rv de betekening van het oproepingsbericht en de daarbij behorende procesinleiding te geschieden binnen twee weken na 23 april 2019, de dag van indiening van de procesinleiding bij de Hoge Raad (hierna: de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv), in aanmerking genomen dat uit de gedingstukken niet blijkt dat het oproepingsbericht met de daarbij behorende procesinleiding eerst op andere wijze bij de verweerder is bezorgd.

Uit hetgeen hiervoor in 1.1 en 1.3 is overwogen, blijkt het volgende: (i) [eiser] heeft de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv niet in acht genomen, (ii) de betekening van het exploot heeft plaatsgevonden na de in de procesinleiding aangezegde uiterste verschijndatum, en (iii) het exploot vermeldt een nieuwe uiterste verschijndatum.

Voorts wordt in de procesinleiding [A] als verweerster aangeduid, en wordt in het exploot aangezegd dat in haar plaats [verweerster] moet worden gelezen.

De hiervoor in 2.3.2-2.3.3 vermelde feiten en omstandigheden doen de vraag rijzen of tegen [verweerster] verstek kan worden verleend.

In een eerdere uitspraak heeft de Hoge Raad over niet-naleving van de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv, samengevat weergegeven, als volgt overwogen.

Weliswaar moet ingevolge art. 120 lid 1 Rv (onder meer) hetgeen in art. 112 Rv is voorgeschreven, op straffe van nietigheid in acht worden genomen, maar een overschrijding van de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv is niet aan te merken als een geval waartoe de nietigheidssanctie van art. 120 lid 1 Rv zich uitstrekt.

Blijkens de parlementaire geschiedenis is de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv bedoeld als een (terugreken)termijn die moet waarborgen dat de verweerder tussen het tijdstip waarop het oproepingsbericht en de procesinleiding worden betekend en de uiterste verschijndatum (die op grond van art. 30a lid 3, aanhef en onder c, Rv ten minste vier weken na de dag van indiening van de procesinleiding moet liggen) ten minste twee weken gelegenheid heeft te beslissen of hij in de procedure wil verschijnen, voordat wordt beslist of tegen hem verstek wordt verleend.

Heeft een verweerder in de periode tussen de betekening van het exploot en de uiterste verschijndatum niet gedurende ten minste twee weken gelegenheid gehad om te beslissen of hij in de procedure wil verschijnen, dan zal de rechter nog geen verstek kunnen verlenen, maar de eiser moeten gelasten aan de verweerder bij exploot een nieuwe uiterste verschijndatum aan te zeggen die de verweerder alsnog een termijn van twee weken geeft om te beslissen of hij wil verschijnen. De kosten van dat exploot kunnen als nodeloos veroorzaakte kosten voor rekening van de eiser worden gelaten (art. 237 lid 1 Rv).

Zijn echter ten minste twee weken verstreken tussen de betekening van het exploot en de in het exploot aangezegde uiterste verschijndatum, dan is overschrijding van de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv geen beletsel voor verstekverlening.

De hiervoor in 2.5.1 bedoelde uitspraak betrof een geval waarin de betekening van het exploot had plaatsgevonden vóór de in de procesinleiding vermelde uiterste verschijndatum. De in die uitspraak geformuleerde regels lenen zich echter ook voor toepassing in het geval dat die betekening pas ná die uiterste verschijndatum plaatsvindt. Ook in laatstgenoemd geval is overschrijding van de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv geen beletsel voor verstekverlening, mits de eiser – op eigen initiatief of, in voorkomend geval, op bevel van de rechter – bij de betekening van het exploot aan de verweerder een nieuwe uiterste verschijndatum aanzegt die de verweerder alsnog een termijn van ten minste twee weken geeft om te beslissen of hij wil verschijnen.

Het vorenstaande strookt met de rechtspraak van de Hoge Raad over de verplichting tot aanzegging van een nieuwe uiterste verschijndatum in geval van betekening van een herstelde procesinleiding op een datum gelegen na de in de oorspronkelijke procesinleiding aangezegde uiterste verschijndatum.

Op grond van art. 30a lid 3, aanhef en onder c, Rv en de art. 115-117 Rv mag in geen van de hiervoor in 2.5.1 en 2.5.2 bedoelde gevallen de aanzegging van een nieuwe uiterste verschijndatum leiden tot overschrijding van de in die bepalingen genoemde maximale verschijntermijn.

Het exploot is op 13 juni 2019 uitgebracht en vermeldt als nieuwe uiterste verschijndatum 11 juli 2019 (zie hiervoor in 1.3). Aldus heeft [eiser] aan [verweerster] een nieuwe uiterste verschijndatum aangezegd die laatstgenoemde alsnog een termijn van meer dan twee weken heeft gegeven om te beslissen of zij wil verschijnen. Voorts heeft de aanzegging van de nieuwe uiterste verschijndatum niet geleid tot overschrijding van de op grond van art. 30a lid 3, aanhef en onder c, Rv geldende maximale verschijntermijn van zes maanden, te rekenen vanaf de indiening van de procesinleiding op 23 april 2019 (zie hiervoor in 1.1).

In de procesinleiding is [A] als verweerster aangeduid in plaats van [verweerster] , hetgeen moet worden aangemerkt als een kennelijke vergissing. Het exploot, dat deze onjuiste aanduiding corrigeert, is op de voet van art. 63 lid 1 Rv uitgebracht aan het kantoor van mr. Kilian (zie hiervoor in 1.3), die blijkens het in cassatie bestreden arrest in de vorige instantie optrad als advocaat voor [verweerster] . Er bestaat daarom geen aanleiding om eraan te twijfelen dat het exploot [verweerster] heeft bereikt.

De slotsom is dat tegen [verweerster] verstek dient te worden verleend.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- verleent verstek tegen [verweerster] ;

- bepaalt als datum waarop schriftelijke toelichting kan worden gegeven: 1 november 2019.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de vicepresident E.J. Numann op 19 juli 2019.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RvdW 2019/917 JBPr 2019/56 met annotatie van Hoed, J. den NJ 2021/60 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?