ECLI:NL:HR:2019:1562

ECLI:NL:HR:2019:1562, Hoge Raad, 11-10-2019, 19/03024

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 11-10-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/03024
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2019:788
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 7 zaken
Aangehaald door 6 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0005700

Samenvatting

Wet Bopz. Voorlopige machtiging. Horen van betrokkene, art. 8 lid 1 Wet Bopz. Betrokkene is gehoord tijdens mondelinge behandeling die wordt aangehouden tot nader te bepalen datum en tijdstip. Moet betrokkene bij de voortzetting van de mondelinge behandeling opnieuw worden gehoord?

Uitspraak

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De officier van justitie heeft de rechtbank op 13 februari 2019 verzocht op de voet van art. 2 Wet Bopz een voorlopige machtiging te verlenen om het verblijf van betrokkene in Lentis Kliniek te Groningen te doen voortduren. Betrokkene verbleef toen vrijwillig in dat psychiatrisch ziekenhuis.

(ii) Op 25 februari 2019 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Daarbij waren onder anderen aanwezig betrokkene, zijn advocaat en de psychiater [betrokkene 2] .

(iii) Bij beschikking van 25 februari 2019 heeft de rechtbank bepaald dat de behandeling zou worden voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip en heeft zij iedere verdere beslissing aangehouden. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat een andere dan de verzochte maatregel wellicht meer in de rede lag en heeft de officier van justitie op de voet van art. 8a Wet Bopz verzocht zich uiterlijk op 11 maart 2019 hierover uit te laten.

(iv) De officier van justitie heeft de rechtbank op 12 maart 2019 bericht dat het verzoek van 13 februari 2019 werd gehandhaafd op de grond dat een voorwaardelijke machtiging niet tot de mogelijkheden behoorde.

(v) De rechtbank heeft de mondelinge behandeling voortgezet op 25 maart 2019. Daarbij waren onder anderen aanwezig de advocaat van betrokkene en de psychiater [betrokkene 2] . Betrokkene zelf was niet aanwezig.

Bij beschikking van 25 maart 2019 heeft de rechtbank de voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden.

3. Beoordeling van het middel

3.1.1 Onderdeel I van het middel klaagt, kort gezegd, dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met art. 8 lid 1 Wet Bopz door de verzochte machtiging te verlenen zonder betrokkene op 25 maart 2019 te horen. Het onderdeel voert aan dat betrokkene niet bij de mondelinge behandeling op 25 maart 2019 aanwezig was wegens een in overleg met zijn behandelaar afgesproken korte vakantie.

3.1.2 Ingevolge art. 8 lid 1 Wet Bopz dient de rechter, alvorens op het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging te beslissen, degene ten aanzien van wie de machtiging is verzocht, te horen, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen.

3.1.3 Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 25 maart 2019 heeft de psychiater [betrokkene 2] verklaard:

“Betrokkene verblijft nu op Ameland. Het is niet gelukt om betrokkene telefonisch te bereiken en op de hoogte te brengen van de zitting van vandaag.”

Het proces-verbaal houdt voorts in dat de rechter in reactie op de verklaring van psychiater [betrokkene 2] heeft overwogen:

“Betrokkene is al gehoord op het verzoek voor een voorlopige machtiging. Er is geen ander verzoek door de officier van justitie ingediend. Het is derhalve niet noodzakelijk dat hij [de Hoge Raad begrijpt: betrokkene] vandaag bij de zitting aanwezig is.”

3.1.4 Uit de bestreden beschikking en de overige stukken van het geding valt niet op te maken dat betrokkene bekend was met tijd en plaats van de mondelinge behandeling van 25 maart 2019. Mede gelet op de hiervoor in 3.1.3 geciteerde verklaring van de psychiater [betrokkene 2] , moet het in cassatie ervoor worden gehouden dat betrokkene niet op de hoogte was van de mondelinge behandeling van 25 maart 2019. Door de verzochte machtiging te verlenen zonder betrokkene op 25 maart 2019 te horen, heeft de rechtbank gehandeld in strijd met de in art. 8 lid 1 Wet Bopz gestelde eis. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat betrokkene een maand eerder – op 25 februari 2019 – door de rechtbank was gehoord. De rechtbank had betrokkene opnieuw moeten horen.

Het onderdeel is derhalve gegrond. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 11 oktober 2019.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2019/2180 NJ 2019/397 RvdW 2019/1057 RFR 2020/16
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?