HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Datum 15 november 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbenden)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 maart 2019, nrs. 17/2958 PW en 17/2965 PW, betreffende besluiten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam ingevolge de Participatiewet.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de belanghebbende die het beroep in cassatie heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep in cassatie of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
2. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2019.