HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/04154
Datum 10 december 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 11 april 2016, nummer 22/001641-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben D.N. de Jonge en M.E. Olthof, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
Het middel klaagt dat het Hof op de terechtzitting van 11 april 2016 de zaak niet in behandeling had mogen nemen. Het voert daartoe aan dat ten onrechte niet een afschrift van de oproeping voor die terechtzitting is verzonden aan het kantooradres van de raadsman S. Arts.
Nu zich bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken een mededeling van de Advocaat-Generaal van het Ressortparket Den Haag bevindt, gericht aan S. Arts en inhoudende dat op 11 april 2016, 12.00 uur de strafzaak wordt behandeld tegen de verdachte, mist het middel feitelijke grondslag en faalt het reeds daarom.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2019.