ECLI:NL:HR:2019:2013

ECLI:NL:HR:2019:2013, Hoge Raad, 20-12-2019, 18/03877

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 20-12-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/03877
Rechtsgebied Civiel recht; Goederenrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2018:1961
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2019:1006
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 6 zaken
Aangehaald door 7 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0005289 BWBR0005291 BWBR0015703

Samenvatting

Goederenrecht. Samenlevingsovereenkomst. Verdeling gemeenschappelijke goederen. Art. 3:172 BW.

Uitspraak

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.

(ii) Krachtens een destijds door hen gesloten samenlevingsovereenkomst zijn zij samen eigenaar van een woning en een verhuurd bedrijfspand.

In dit geding vorderen de man en de vrouw beiden dat de woning en het bedrijfspand worden toebedeeld aan de man. Daarnaast vordert de vrouw veroordeling van de man om aan haar huuropbrengsten van het bedrijfspand te betalen. De rechtbank heeft de vorderingen tot toedeling/verdeling van de panden afgewezen op de grond dat niet duidelijk is of de man financieel in staat is om het aandeel van de vrouw in die panden over te nemen. De rechtbank heeft de vordering van de vrouw ten aanzien van de huuropbrengsten in het dictum als volgt toegewezen:

“5.2. veroordeelt de man aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 42.050--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening, en te vermeerderen met de helft van de netto huuropbrengsten vanaf 1 november 2015 tot aan de datum van levering van het aandeel van de vrouw in het bedrijfspand (…) aan de man, dan wel de datum van levering van dit pand aan een derde.”

Het hof heeft het vonnis vernietigd voor zover daarbij de vorderingen van de man en de vrouw tot verdeling van de woning en het bedrijfspand zijn afgewezen, en heeft de verdeling van de panden vastgesteld. Het heeft het vonnis voor het overige, voor zover aan hoger beroep onderworpen, bekrachtigd.

3. Beoordeling van het middel

De in de onderdelen 1-4 van het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Onderdeel 5 klaagt dat het hof ten onrechte het vonnis heeft bekrachtigd ten aanzien van de beslissing dat de man de helft van de netto huuropbrengsten dient te betalen vanaf 1 november 2015 tot aan de datum van levering van het aandeel van de vrouw in het bedrijfspand aan de man dan wel de datum van levering van dat pand aan een derde.

Het hof heeft (in rov. 3.23) overwogen dat de man en de vrouw tot het moment dat de verdeling heeft plaatsgevonden, het bedrijfspand in gemeenschappelijk eigendom hebben en op grond van art. 3:172 BW delen in de huuropbrengsten van dat pand. Het hof heeft door het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen ten aanzien van de huuropbrengsten, in het dictum van zijn arrest miskend dat de betalingsverplichting van de man geldt tot het moment dat de verdeling heeft plaatsgevonden en niet tot de door de rechtbank genoemde datum van levering.

De klacht is dus gegrond.

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door het dictum van het arrest van het hof te verbeteren als hierna te vermelden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 juni 2018, doch uitsluitend voor zover het hof in het dictum rov. 5.2 van het vonnis van de rechtbank (zie hiervoor in 2.2.1) heeft bekrachtigd;

- veroordeelt de man aan de vrouw te voldoen de helft van de netto huuropbrengsten van het bedrijfspand vanaf 1 november 2015 tot het moment dat de verdeling van het bedrijfspand heeft plaatsgevonden;

- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 20 december 2019.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2020/15 RvdW 2020/96 RFR 2020/41 JPF 2020/141 met annotatie van Reinhartz, B.E.
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?