12 april 2019
Eerste Kamer
19/00153
TT/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie.
Eiser zal hierna ook worden aangeduid als [eiser] .
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar:
a. het verstekvonnis in de zaak C/10/494499/HA ZA 16-124 van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2016;
b. het vonnis in verzet in de zaak C/10/500227/HA ZA 16-412 van de rechtbank Rotterdam van 24 augustus 2016.
Het vonnis in verzet van de rechtbank van 24 augustus 2016 is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis in verzet van de rechtbank van 24 augustus 2016 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatieberoep is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het op 21 september 2018 ingekomen cassatieverzoek is ingediend door [eiser] zelf en is niet, zoals vereist door art. 407 lid 3 Rv, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim kan worden hersteld door hetzelfde verzoek binnen twee weken na binnenkomst ter griffie opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Dit brengt mee dat [eiser] in zijn beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 12 april 2019.