ECLI:NL:HR:2020:1253

ECLI:NL:HR:2020:1253, Hoge Raad, 10-07-2020, 19/01269

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 10-07-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/01269
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2020:293
Formele relatie: ECLI:NL:GHDHA:2018:3373
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 20 zaken
Aangehaald door 3 zaken
9 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0001860 BWBR0005289 BWBR0021670 CELEX:31991L0414 CELEX:31998L0008 EU:31991L0414 EU:31998L0008

Samenvatting

Overeenkomstenrecht. Vervolg van HR 4 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2462. Toerekenbare tekortkoming. Schadevergoeding. Ingangsdatum wettelijke rente.

Uitspraak

2. Uitgangspunten en feiten

De Hoge Raad verwijst voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan naar rov. 3.1 van zijn hiervoor onder 1 genoemde arrest.

In dit geding gaat het, voor zover nog van belang, om de vordering van [eiseres] tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden door een toerekenbare tekortkoming van CAV.

Het hof heeft een aantal schadeposten toegewezen en heeft in zijn eindarrest overwogen dat CAV de wettelijke rente daarover verschuldigd is vanaf de dag van de dagvaarding (24 juni 2009), omdat “[eiseres] niet heeft aangegeven wanneer iedere schadepost is geleden” (rov. 7.3). Het hof heeft vervolgens in het dictum bepaald dat de wettelijke rente over de schadevergoeding verschuldigd is vanaf 24 juni 2009.

3. Beoordeling van de middelen

Middel 3 is gericht tegen de door het hof bepaalde ingangsdatum van de verschuldigdheid van de wettelijke rente. Het middel betoogt dat [eiseres] heeft aangevoerd dat wat betreft de wettelijke rente moet worden uitgegaan van de datum van het lijden van de schade, en dat [eiseres] daarvoor als data heeft genoemd 1 juli 2008 en 1 januari 2009.

Ingevolge art. 6:119 lid 1 BW in verbinding met art. 6:83, aanhef en onder b, BW en art. 6:74 lid 1 BW is in een geval als het onderhavige de wettelijke rente over de schadevergoeding verschuldigd vanaf het moment waarop de schade wordt geleden. Door niet in te gaan op de hiervoor in 3.1.1 vermelde stelling van [eiseres] dat hij schade heeft geleden op 1 juli 2008 en 1 januari 2009, heeft het hof zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd. De klacht slaagt.

De gegrondheid van middel 3 brengt mee dat het eindarrest van het hof vernietigd moet worden ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke rente. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door het arrest uitsluitend op dit punt te vernietigen. De Hoge Raad kan daarmee volstaan en behoeft voor de beslissing van het hof ten aanzien van die ingangsdatum geen andere beslissing in de plaats te stellen nu tussen partijen overeenstemming bestaat over het door CAV aan wettelijke rente verschuldigde bedrag en CAV dit bedrag inmiddels aan [eiseres] heeft voldaan.

De overige klachten van de middelen kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4. Proceskosten

Bij haar verweerschrift heeft CAV geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep van [eiseres]. In haar schriftelijke toelichting (onder 4.3-4.5) heeft CAV onder meer aangevoerd dat het betoog van [eiseres] over de wettelijke rente juist is, dat zij daarom de gederfde rente heeft berekend en dat zij het verschuldigde bedrag inmiddels aan [eiseres] heeft voldaan. CAV heeft het door haar verschuldigde bedrag aan wettelijke rente betaald op 6 augustus 2019. In haar schriftelijke toelichting van 13 september 2019 heeft CAV zich gerefereerd ten aanzien van middel 3 en zich op het standpunt gesteld dat zij gelet op een en ander niet kan worden veroordeeld in de proceskosten in cassatie.

CAV heeft de door haar verschuldigde wettelijke rente betaald op 6 augustus 2019 en kwam daarmee in zoverre terug van haar aanvankelijke verweer tegen middel 3 over de wettelijke rente. Omdat CAV haar verweer tegen middel 3 tijdig heeft prijsgegeven, te weten voordat zij haar cassatieberoep op 13 september 2019 schriftelijk toelichtte, zal geen veroordeling in de proceskosten in cassatie volgen.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 december 2018 uitsluitend voor zover CAV daarin is veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente vanaf 24 juni 2009.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 10 juli 2020.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2020/1897 RvdW 2020/877
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?