HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/03612 B
Datum 29 september 2020
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2019, nummer RK 19/1802, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beroep voor zover dat ziet op de inbeslaggenomen autosleutels (Opel, Chevrolet, onbekend) en het navigatiesysteem TomTom met lader en tot vernietiging van de bestreden beschikking voor het overige en tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de klager niet in behandeling nemen voor zover dit ziet op de inbeslaggenomen autosleutels (van het merk Opel, Chevrolet en onbekend) en het navigatiesysteem van het merk TomTom met lader. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.
3. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift de aan te leggen toetsingsmaatstaf heeft miskend, althans dat de ongegrondverklaring van het klaagschrift ontoereikend is gemotiveerd.
De rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot teruggave van onder meer de onder de klager inbeslaggenomen garage-opener, Woolrich jassen kleur blauw en zwart, een Cavalli spijkerbroek, schoenen van het merk Louis Vuitton en Balanciaga en een vest van het merk Phillip Plein, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
“Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Op 5 mei 2018 zijn op de voet van artikel 94 Sv voornoemde voorwerpen in beslag genomen.
Klager werd - kort gezegd - verdacht van onder meer het bezit van harddrugs. Hij is bij vonnis van 20 december 2018 hiervan vrijgesproken.
(...)
De rechtbank is (vooralsnog) van oordeel dat niet klager, maar een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de voorwerpen moet worden beschouwd. Wat de sleutels betreft, heeft klager onvoldoende gedaan om aan te tonen dat hij als rechthebbende moet worden beschouwd. Hij had bijvoorbeeld een kentekenbewijs kunnen overleggen of in raadkamer kunnen verschijnen om een nadere uitleg te geven. Wat betreft de kleding is van belang dat er meerdere mannen in de woning aan de [a-straat 1] zijn aangetroffen en dat klager onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de rechthebbende is. De rechtbank acht de hiertoe overlegde foto onvoldoende, nu de foto de achterkant van een man laat zien en niet te zien is dat de persoon op de foto klager is.
Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard.”
De rechtbank heeft vastgesteld dat op de voet van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) beslag is gelegd op de in het klaagschrift bedoelde voorwerpen. In haar overwegingen ligt besloten dat de klager is aangemerkt als de beslagene. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823).
In de hiervoor onder 3.2 weergegeven overwegingen ligt besloten dat de rechtbank, na vooropstelling van de toepasselijke maatstaf, heeft vastgesteld dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet (meer) vordert. Vervolgens is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard, omdat niet klager, maar een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de voorwerpen moet worden beschouwd. Ten aanzien van de inbeslaggenomen garage-opener is dat oordeel niet begrijpelijk omdat dat oordeel niet is gemotiveerd. Ten aanzien van de inbeslaggenomen kleding heeft de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag gelegd “dat er meerdere mannen in de woning aan de [a-straat 1] zijn aangetroffen en dat klager onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de rechthebbende is.” Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. De rechtbank heeft vastgesteld dat klager als beslagene moet worden aangemerkt. Dat brengt mee dat de kleding aan de klager had moeten worden teruggegeven, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die kleding moet worden beschouwd.
Het cassatiemiddel slaagt.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk wat betreft de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de inbeslaggenomen autosleutels van het merk Opel, Chevrolet en onbekend en een navigatiesysteem van het merk TomTom met lader;
- vernietigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2020.