ECLI:NL:HR:2020:1710

ECLI:NL:HR:2020:1710, Hoge Raad, 30-10-2020, 19/02259

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 30-10-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/02259
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2020:608
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2019:282
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 25 zaken
Aangehaald door 25 zaken
14 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0001860 BWBR0002375 BWBR0002656 BWBR0003045 BWBR0005289 BWBR0005290 BWBR0005291 BWBR0007149 BWBR0007632 BWBR0023913 BWBR0031432 BWBR0033715

Samenvatting

Overeenkomstenrecht. Uitleg parkeerovereenkomst. Onverschuldigde betaling facturen. Over terugbetaling wettelijke handelsrente verschuldigd of wettelijke rente? Vgl. HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3106.

Uitspraak

2. Uitgangspunten en feiten

Het gaat in deze zaak, voor zover in cassatie van belang, om de uitleg van een zogenoemde ‘parkeerovereenkomst’, waarin onder meer een door Deka aan Q-Park te betalen ‘beschikbaarheidsvergoeding’ is opgenomen voor het geval dat, kort gezegd, minder parkeerabonnementen worden afgenomen dan is overeengekomen. Deka heeft facturen met betrekking tot die beschikbaarheidsvergoeding aan Q-Park voldaan.

In dit geding heeft Deka (in reconventie), kort gezegd, gevorderd dat Q-Park wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door Deka uit hoofde van de beschikbaarheidsvergoeding betaalde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Deka heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij de bedragen onverschuldigd heeft betaald. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

Het hof heeft de vordering van Deka tot terugbetaling van hetgeen zij uit hoofde van de beschikbaarheidsvergoeding aan Q-Park heeft voldaan, toegewezen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

Onderdeel 4 van het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de wettelijke handelsrente verschuldigd is, en voert daartoe aan dat art. 6:119a BW slechts van toepassing is op vorderingen uit handelsovereenkomsten.

De klacht is gegrond. Art. 6:119a BW heeft alleen betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. Dit betreft de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst. De wettelijke handelsrente ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst aanleiding kan geven, en derhalve evenmin op een vordering uit onverschuldigde betaling.

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep

4.1.1 Hiervoor in 3.1.2 is gebleken dat onderdeel 4 van het principale middel doel treft. Het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep in enig onderdeel gegrond wordt bevonden. In strikte zin is aan die voorwaarde voldaan.

4.1.2 De Hoge Raad ziet echter aanleiding om het incidentele beroep zo uit te leggen dat de voorwaarde waaronder het is ingesteld, niet is vervuld. Het middel in het incidentele beroep heeft uitsluitend betrekking op het door het hof verworpen – primaire – standpunt van Deka dat zij niet gebonden is aan de parkeerovereenkomst. Er bestaat geen verband tussen het in het incidentele beroep aan de orde gestelde geschilpunt en de kwestie van de wettelijke handelsrente waarop de vernietiging in het principale beroep berust. Ook als Deka niet gebonden zou zijn aan de parkeerovereenkomst, betreft haar vordering tot terugbetaling een vordering uit onverschuldigde betaling, zodat wettelijke rente toewijsbaar is en niet wettelijke handelsrente. Het middel in het incidentele beroep behoeft derhalve geen behandeling.

5. Afdoening

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu Deka de wettelijke handelsrente heeft gevorderd, dient te worden aangenomen dat zij tevens aanspraak maakt op het mindere, te weten de wettelijke rente. Deze komt op de voet van art. 6:119 BW voor vergoeding in aanmerking.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 30 oktober 2020.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2020/2646 RvdW 2020/1143 NJ 2020/408 RCR 2021/2
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?