ECLI:NL:HR:2020:319

ECLI:NL:HR:2020:319, Hoge Raad, 21-02-2020, 18/04552

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 21-02-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/04552
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2019:1178
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2018:2731
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 18 zaken
Aangehaald door 7 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0003045 BWBR0005288 BWBR0005289 BWBR0005291

Samenvatting

Appelprocesrecht; devolutieve werking. Rechtspersonenrecht; vordering tot vernietiging van besluit tot statutenwijziging wegens strijd met eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 2:15 lid 1, onder b, BW). In eerste aanleg bij wijze van verweer gedaan beroep op art. 3:53 lid 2 BW (geheel of gedeeltelijk werking aan vernietiging ontzeggen).

Uitspraak

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De moeder van [verweerder] was eigenaar van een appartement in een serviceflatcomplex genaamd ‘Sans Souci’ (hierna: de serviceflat).

(ii) Het doel van de VD is het leveren van diensten en het treffen van voorzieningen (hierna: het servicepakket) ten behoeve van bewoners van appartementen in de serviceflat. Art. 4 van de statuten van de VD bepaalt dat de levering van het servicepakket geschiedt tegen een door de ledenvergadering vast te stellen maandelijkse vooruit te betalen bijdrage en art. 6 lid 1 bepaalt dat natuurlijke personen die zijn toegelaten tot de bewoning van een appartement in de serviceflat, lid zijn van de VD. Art. 7 van de statuten van de VD luidt als volgt:

“1. Het lidmaatschap eindigt door:

a.opzegging door het lid, wegens de beëindiging van de huur- of gebruiksovereenkomst van het door hem bewoonde appartement. (...).

b. overlijden van het lid:

(…)

3. Indien het lidmaatschap is geëindigd, heeft het gewezen lid jegens de vereniging geen andere financiële rechten dan de terugbetaling van eventueel teveel betaalde servicekosten. (…)”

(iii) In het huishoudelijk reglement van de VD is in art. 14.14 bepaald:

“De leden, dan wel hun erven of andere rechtverkrijgenden, zijn verplicht bij vooruitbetaling hun maandelijkse bijdrage in de servicekosten te voldoen, ook wanneer de woning niet wordt gebruikt. Deze bijdrage is verschuldigd tot de dag van toelating van een nieuw lid in hun plaats. Met ingang van deze dag komt de bijdrage ten laste van het nieuwe lid.

(iv) De moeder van [verweerder] is overleden in 2010; [verweerder] is een van haar erfgenamen. Door het overlijden van de moeder van [verweerder] is haar lidmaatschap van de VD geëindigd.

(v) [verweerder] heeft over zijn betalingsverplichtingen jegens de VD advies ingewonnen. Het door [verweerder] verkregen advies luidde, kort samengevat, dat [verweerder] geen lid is van de VD, dat hij de servicekosten niet aan de VD hoeft te betalen en dat hij als erfgenaam van zijn moeder recht heeft op terugbetaling van te veel betaalde servicekosten. Op grond van het door [verweerder] verkregen advies heeft hij het bestuur van de VD verzocht haar standpunt over de verschuldigdheid van servicekosten bij leegstand te herzien.

(vi) Bij brief van 22 november 2013 heeft het bestuur van de VD de leden geïnformeerd over zijn voornemen de statuten van de VD te wijzigen in die zin dat na het overlijden van een lid-eigenaar de erfgenamen de servicekosten aan de VD verschuldigd zijn en dat, als bij verhuur van een appartement een huurder als lid wordt toegelaten, de huurder de servicekosten aan de VD verschuldigd is en de eigenaar hoofdelijk voor die schuld aansprakelijk blijft. Op de algemene ledenvergadering van 11 december 2013 is het voorstel van het bestuur tot wijziging van de statuten aangenomen. Bij akte van 17 januari 2014 zijn de statuten van de VD dienovereenkomstig gewijzigd.

[verweerder] vordert in dit geding, voor zover in cassatie van belang, op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b, BW vernietiging van het besluit tot wijziging van de statuten (zie hiervoor in 2.1 onder (vi)) wegens strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid.

De rechtbank heeft deze vordering afgewezen.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en het besluit tot wijziging van de statuten vernietigd.

3. Beoordeling van het middel

Onderdeel 1.3 van het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten het door de VD in eerste aanleg gedane beroep op art. 3:53 lid 2 BW te beoordelen. Daarmee heeft het hof de devolutieve werking van het hoger beroep miskend, althans zijn motiveringsplicht geschonden, aldus de klacht.

Deze klacht treft doel. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de VD zich in eerste aanleg tegen de vordering tot vernietiging van het besluit tot statutenwijziging heeft verweerd met, subsidiair, een beroep op toepassing van art. 3:53 lid 2 BW, dat inhoudt dat de rechter aan een vernietiging van een rechtshandeling geheel of gedeeltelijk haar werking kan ontzeggen indien de reeds ingetreden gevolgen van die rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden. De stukken van het geding laten voorts geen andere conclusie toe dan dat de VD dat verweer in hoger beroep niet heeft prijsgegeven. Nu het hof, anders dan de rechtbank, tot het oordeel kwam dat de vordering van [verweerder] tot vernietiging toewijsbaar is, bracht de devolutieve werking van het hoger beroep mee dat het hof dat verweer van de VD moest behandelen.

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 juli 2018;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de VD begroot op € 956,18 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 21 februari 2020.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2020/579 RvdW 2020/303
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?