2. Uitgangspunten en feiten
In deze procedure verzoekt de officier van justitie een voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij dit verzoekschrift is gevoegd een op 6 september 2019 door de geneesheer-directeur ondertekende geneeskundige verklaring. Die verklaring houdt onder meer in dat het onderzoek is verricht door de psychiater [betrokkene 3].
De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld, in aanwezigheid van onder anderen betrokkene en haar advocaat. De advocaat heeft primair verzocht om afwijzing van het verzoek en subsidiair om een second opinion.
De rechtbank heeft de machtiging verleend en heeft daartoe, samengevat, overwogen dat op grond van de stukken – “met name een tweetal geneeskundige verklaringen” – voldoende is komen vaststaan dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens en dat sprake is van gevaar dat niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.
De rechtbank heeft het verzoek om een second opinion afgewezen en heeft daartoe overwogen:
“Bij gelegenheid van het verhoor heeft betrokkene verzocht een onderzoek door een deskundige te laten verrichten. Dit verzoek zal niet worden gehonoreerd nu de rechtbank van oordeel is dat betrokkene door het achterwege laten van een deskundigenonderzoek niet in haar belangen wordt geschaad. De rechtbank overweegt hierbij dat twee psychiaters die niet bij de behandeling betrokken waren en zijn, in afzonderlijke geneeskundige verklaringen een oordeel hebben gegeven; zowel [betrokkene 3] als [betrokkene 4], zijn tot soortgelijke medische bevindingen gekomen.”
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel I van het middel klaagt dat de rechtbank bij het verlenen van de machtiging onder meer gebruik heeft gemaakt van een geneeskundige verklaring van de psychiater [betrokkene 4] van 19 maart 2019, terwijl die verklaring geen deel uitmaakte van het procesdossier.
De rechtbank heeft bij het verlenen van de machtiging gebruik gemaakt van “een tweetal geneeskundige verklaringen”, waarbij de rechtbank het oog had op een verklaring van de psychiater [betrokkene 3] en op een verklaring van de psychiater [betrokkene 4] (zie het citaat hiervoor in 2.3). Bij het verzoek van de officier van justitie (hiervoor vermeld in 2.1) was uitsluitend een geneeskundige verklaring gevoegd van 6 september 2019 die inhield dat het onderzoek was verricht door psychiater [betrokkene 3].
Niet blijkt dat een geneeskundige verklaring van psychiater [betrokkene 4] deel uitmaakt van de stukken van de onderhavige procedure.
De klacht is dus gegrond.
Gelet op het hiervoor overwogene slaagt ook onderdeel III voor zover dit klaagt dat de rechtbank bij de afwijzing van het verzoek om een second opinion ook de verklaring van psychiater [betrokkene 4] heeft betrokken.
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 september 2019;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 6 maart 2020.