HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/00755
Datum 31 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 26 juli 2013, nummer 22-000395-13, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.P. Wesselink-van Dijk, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, en tot vermindering daarvan door de Hoge Raad naar diens gebruikelijke maatstaf.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat na het wijzen van het arrest bij het betekenen van de verstekmededeling onvoldoende voortvarendheid is betracht, als gevolg waarvan de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 197 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 180 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2020.