2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
(i) De man en de vrouw zijn in 2011 in Jordanië met elkaar getrouwd.
(ii) De man woont sinds 1988 in Frankrijk. Ten tijde van het huwelijk had hij de Nederlandse nationaliteit. In 2015 heeft hij de Franse nationaliteit verkregen.
(iii) De vrouw woont sinds 1990 in Nederland. Zij heeft zowel de Jordaanse als (sinds 1994) de Nederlandse nationaliteit.
(iv) De rechtbank heeft in haar tussenbeschikking van 12 maart 2014 de door partijen verzochte echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk van partijen is op 25 juli 2014 ontbonden door inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Deze zaak ziet, voor zover in cassatie van belang, op het verzoek van de man om voor recht te verklaren dat het recht van Jordanië het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst en dat zij volgens Jordaans recht buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd.
De rechtbank heeft in haar tussenbeschikking van 12 maart 2014 geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen (rov. 4.20). In haar eindbeschikking heeft de rechtbank beslist dat zij niet van dit oordeel terugkomt (rov. 3.6).
Het hof heeft voor recht verklaard dat op het huwelijksvermogensregime van partijen Jordaans soennitisch recht van toepassing is. Daartoe heeft het hof, kort weergegeven, als volgt overwogen.
Het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen, wordt aangewezen door de bepalingen van het Huwelijksvermogensverdrag. (rov. 5.5)
Op grond van art. 4 lid 1 Huwelijksvermogensverdrag is, voor zover partijen niet vóór het huwelijk het toepasselijke recht hebben aangewezen, het recht van toepassing van de staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na hun huwelijk vestigen. Voor het geval partijen hun eerste gewone verblijfplaats na hun huwelijk niet in dezelfde staat vestigen, bepaalt art. 4 lid 2, onder 3, Huwelijksvermogensverdrag dat het recht van de staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit van toepassing is. (rov. 5.6)
Het betoog van de man dat partijen een uitdrukkelijke, dan wel een impliciete rechtskeuze hebben gedaan voor het Jordaanse soennitische recht, wordt verworpen. (rov. 5.7-5.13)
Nu geen sprake is van een rechtskeuze, is op grond van art. 4 lid 2, onder 3, Huwelijksvermogensverdrag Nederlands recht van toepassing: partijen hebben geen eerste (gezamenlijke) huwelijksdomicilie, maar bezitten wel beiden de Nederlandse nationaliteit. (rov. 5.8 en 5.13)
De man heeft – voor het geval dat het Nederlandse recht toepassing vindt – een beroep gedaan op art. 10:9 BW en gesteld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen bij helfte moet plaatsvinden. (rov. 5.14)
Dit beroep moet worden gehonoreerd. De vrouw heeft de stelling van de man dat zij beiden gerechtvaardigd erop hebben vertrouwd dat het Jordaanse soennitische recht van toepassing is op hun huwelijksvermogensregime, onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat vaststaat dat zij beiden zijn uitgegaan van de toepasselijkheid van dat recht. Verder zou, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, toepassing van het Nederlandse huwelijksvermogensrecht een ongerechtvaardigde schending zijn van het gerechtvaardigde vertrouwen van partijen dat het Jordaanse soennitische recht hun huwelijksvermogensregime beheerst. (rov. 5.17-5.19)
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
De onderdelen 1-4 van het middel keren zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat ingevolge art. 10:9 BW het Jordaanse soennitische recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de man en de vrouw.
Bij de beoordeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld.
Het hof heeft tot uitgangspunt genomen dat het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen, wordt aangewezen door de verwijzingsregels van het Huwelijksvermogensverdrag. Dit uitgangspunt, dat in cassatie niet wordt bestreden, is juist (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.2).
Art. 10:9 BW is een bepaling van Nederlands commuun internationaal privaatrecht. Deze bepaling kan slechts toepassing vinden in gevallen die niet worden bestreken door een verdrag of een EU-verordening, of voor zover toepassing in een concreet geval verenigbaar is met een toepasselijk verdrag of een toepasselijke EU-verordening.
Het Huwelijksvermogensverdrag bevat een gesloten stelsel van verwijzingsregels dat geen ruimte laat voor toepassing van art. 10:9 BW. Het door het Huwelijksvermogensverdrag aangewezen recht dient dus te worden toegepast, ook indien toepassing van dat recht een onaanvaardbare schending zou opleveren van het bij partijen levende gerechtvaardigde vertrouwen of van de rechtszekerheid, zoals bedoeld in art. 10:9 BW.
De onderdelen 1-4 klagen niet dat het hof heeft miskend dat de toepasselijkheid van het Huwelijksvermogensverdrag uitsluit dat toepassing wordt gegeven aan art. 10:9 BW. Een dergelijke klacht ligt evenmin in die onderdelen besloten. De klachten berusten steeds op het uitgangspunt, overeenkomstig de beschikking van het hof, dat de toepasselijkheid van het Huwelijksvermogensverdrag ruimte laat voor toepassing van art. 10:9 BW. Dat uitgangspunt geldt derhalve ook in cassatie.
De klachten van de onderdelen 1-4 betreffen alle de wijze waarop het hof art. 10:9 BW heeft toegepast. Die klachten kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
Onderdeel 5 klaagt over de beslissing van het hof om het verweerschrift van de vrouw buiten beschouwing te laten op de grond dat zij het griffierecht te laat heeft betaald.
Deze klacht kan niet tot cassatie leiden op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.8.
Onderdeel 6 bouwt voort op de onderdelen 1-5 en moet hun lot delen.
Het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer onderdelen in het principale beroep slagen. Uit hetgeen hiervoor in 3.4-3.6 is overwogen, volgt dat deze voorwaarde niet is vervuld. Het incidentele beroep behoeft dan ook geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het principale beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 17 januari 2020.