HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/01883
Datum 12 mei 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het gerechtshof te Arnhem van 5 juni 2003, nummer 21/002891-02, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben Th.O.M. Dieben en G.A. Jansen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. G.A. Jansen heeft een aanvullende schriftuur ingediend. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak - behoudens voor zover daarbij het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Zwolle is vernietigd - en tot zodanige beslissing op de voet van art. 440 Sv als het de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel voert aan dat het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.
Aan de verdachte is - zakelijk weergegeven - tenlastegelegd:1. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie;2 primair. poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming; 2 subsidiair. vernieling; 3. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.
Op de gronden vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal is het middel gegrond.
De Hoge Raad zal wat betreft alle feiten het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de overige cassatiemiddelen niet nodig.
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beslissing die hierna volgt, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de politierechter in de rechtbank Zwolle van 19 augustus 2002;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2020.