HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/04767
Datum 2 juni 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 oktober 2018, nummer 22/005411-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.E. Stout, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk is nu het hof, anders dan tot uitdrukking komt in de strafmotivering, een gevangenisstraf heeft opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel uitstijgt boven de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 dagen, waarvan 7 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De strafmotivering houdt onder meer het volgende in:
“Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Gelet op de reeds eerder door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, heeft hij het onvoorwaardelijke deel van deze straf al uitgezeten, en resteert een waarschuwing van 7 dagen als voorwaardelijk opgelegde straf.”
Het verloop van het voorarrest van de verdachte in de onderhavige zaak is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 16. Daaruit volgt dat ervan dient te worden uitgegaan dat de verdachte 17 dagen uit hoofde van de onderhavige zaak in voorarrest heeft doorgebracht.
In aanmerking genomen dat het hof blijkens de hiervoor weergegeven overweging onmiskenbaar heeft bedoeld een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk zou zijn aan de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, berust de onder 3.2 vermelde straf op een kennelijke misslag. De Hoge Raad leest de bestreden uitspraak met verbetering van deze misslag, te weten dat aan de verdachte een gevangenisstraf is opgelegd van 24 dagen, waarvan 7 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het cassatiemiddel komt daardoor de feitelijke grondslag te ontvallen.
Opmerking verdient nog dat een kennelijke misslag als de onderhavige zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf. Het gaat immers om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft (hebben) gezeten overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243, en 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478. Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor ondubbelzinnig - en op kortere termijn - duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verstaat dat het hof aan de verdachte een gevangenisstraf heeft opgelegd van 24 dagen, waarvan 7 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
- verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2020.