HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/00042 U
Datum 29 juni 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 december 2020, nummer [001], op een verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering
van
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,
hierna: de opgeëiste persoon.
1. De beschikking van de rechtbank
De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard met het oog op strafvervolging ter zake van “het strafbare feit als omschreven in het verzoek tot uitlevering d.d. 26 februari 2020 alsmede in de vordering met Lurisnummer [001]”. Dit feit – zo begrijpt de Hoge Raad – is omschreven in het “uittreksel uitleveringsverzoek (verdachte)” van Soner Fevzi Vurur, voorzitter van de “3e meervoudige kamer in zware strafzaken Kocaeli”, van 26 februari 2020, welk stuk is gevoegd bij het verzoek tot uitlevering van 28 april 2020 van “the Embassy of the Republic of Turkey”.
2. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2021.