ECLI:NL:HR:2021:1135

ECLI:NL:HR:2021:1135, Hoge Raad, 13-07-2021, 20/00380

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 13-07-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/00380
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2021:473
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 8 zaken
Aangehaald door 4 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Poging tot diefstal (art. 310 Sr) en vernieling (art. 350.1 Sr) van 3 rolluiken, die verdachte aantreft op paadje achter tuinhuis van aangever. Bewijsklacht opzet. Kan uit gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld? Niet alleen heeft hof onder b.m. opgenomen verklaring van verdachte v.zv. inhoudend dat “rolluik op gemeentegrond lag en hij het dus mocht pakken”, maar ook voor het overige kan uit bewijsvoering niet z.m. volgen dat verdachte deze rolluiken heeft gepakt met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen en dat verdachte opzettelijk rolluiken heeft vernield die aan iemand anders toebehoorden. ‘s Hofs uitspraak is dus ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00380

Datum 13 juli 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 januari 2020, nummer 21-000747-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat het onder 2 en 3 bewezenverklaarde opzet niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“2. hij op 20 november 2017 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om 3 rolluiken die toebehoorden aan [betrokkene 1] weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, voornoemde rolluiken in een winkelwagentje heeft geladen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. hij op 20 november 2017 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk 3 rolluiken die aan [betrokkene 1] toebehoorden, heeft vernield.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina’s 5-8 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2017354214), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van aangever [betrokkene 1]:

Ik ben sinds eind 2014 eigenaar van een drive-in woning, welke is gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats]. De tuin is gelegen aan de achterzijde van mijn woning. Mijn woning is op de begane grond voorzien van één elektrisch rolluik aan de tuinzijde. Op de eerste verdieping is mijn woning aan beide zijden voorzien van een elektrisch rolluik.

Mijn tuin wordt afgesloten door middel van een tuinhuis. Mijn tuinhuis is aan beide zijden voorzien van een deur. Vanaf de buitenzijde van de tuin loopt een paadje, welke uitkomt op de openbare weg. Het paadje dat toegang geeft tot de openbare weg wordt gescheiden door middel van een bossage van ongeveer vier meter breed.

Ik ben vorige maand begonnen met het verbouwen van mijn woning. Zodoende heb ik de rolluiken welke op de begane grond en de eerste verdieping waren bevestigd losgehaald. Ik heb de rolluiken in eerste instantie in mijn tuin neergelegd. Op 18 november 2017 is mijn tuin betegeld door een stratenmaker. Daarom heb ik de rolluiken op het paadje gelegd, welke tussen mijn tuinhuis en de bossagestrook ligt.

Op 20 november 2017 omstreeks 23.20 uur was ik thuis samen met mijn vrouw. Mijn vrouw hoorde geluid van een metalen voorwerp, welke vanuit de richting van onze tuin kwam. Ik ben de tuin ingelopen en zag een lange manspersoon staan. Ik zag dat hij bezig was met mijn rolluiken. Ik vertelde hem dat dit mijn rolluiken waren. Hij vertelde dat hij geen naam op de rolluiken zag staan. Ik zag dat de man de rolluiken inmiddels uit elkaar had gehaald. Ik herhaalde nogmaals dat het mijn rolluiken waren. Hierop antwoordde hij dat dit zijn handel was. Ik vroeg hem hoe wij dit gingen oplossen. Hij zei: “alles is kapot”. Ik vertelde hem dat ik de politie ging bellen. Omstreeks 23.31 uur heb ik de politie gebeld.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van dit feit.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina 18 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2017354214), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als bevindingen van verbalisanten:

Op 20 november 2017 omstreeks 23:35 uur kregen wij van de centralist van het operationeel centrum het verzoek om te gaan naar de [a-straat 1] in [plaats]. Op 20 november 2017 omstreeks 23:45 uur waren wij ter plaatse. Wij zijn naar de achterzijde van de woning gelopen. Wij zagen dat er op het voetpad achter de woning een rolluik lag. Wij zagen dat het rolluik gedeeltelijk was gesloopt. Tevens zagen wij dat er een leeg winkelwagentje stond.

Wij zagen iets verderop in het park aan de [b-straat] dat er één man stond en één man op het hekje zat. De man die stond bleek later de aangever te zijn. De man die op het hekje zat gaf op te zijn genaamd: [verdachte].

Ik, verbalisant [verbalisant], heb [verdachte] de cautie medegedeeld en gevraagd wat hij aan het doen was.

Wij hoorden dat [verdachte] ons verklaarde dat hij:

- het rolluik wilde hebben voor oud ijzer;

- het rolluik op gemeentegrond lag en hij het dus mocht pakken;

- die mensen het rolluik maar ergens anders hadden moeten neerleggen.

Wij hebben [verdachte] aangehouden.

Verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats].

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, (als bijlage op pagina ’s 29-35 van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2017354214), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Er lagen rolluiken op het pad. Ik was daar de rolluiken aan het ophalen. De rolluiken lagen tegen de struiken, op het pad. Ik heb geprobeerd de rolluiken op een winkelwagentje te laden. Ik had géén toestemming om de rolluiken te vernielen / weg te nemen.”

Het hof heeft een namens de verdachte gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Standpunt verdediging

Uit het dossier blijkt dat aangever de rolluiken buiten de omheining van zijn tuin heeft aangeboden op grond die toebehoort aan de gemeente. Verdachte kon niet opmaken dat de rolluiken aan aangever toebehoorden. Onder deze omstandigheden mocht verdachte er vanuit gaan dat aangever afstand van de rolluiken had gedaan en het bezit van de rolluiken zodoende had prijsgegeven. Het ontbreekt daarom aan het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Gelet op deze feiten en omstandigheden kan evenmin worden gezegd dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de rolluiken heeft vernield die aan iemand anders toebehoorden. Ook voor de tenlastegelegde vernieling ontbreekt het opzet. Verdachte dient ook ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat verdachte er, op grond van de uit het dossier blijkende omstandigheden, in onderhavige situatie niet zonder meer van uit had mogen gaan dat het bezit van de rolluiken door aangever was prijsgegeven met het oogmerk om zich van zijn eigendom te ontdoen. De rolluiken bevonden zich op het moment dat verdachte deze aantrof op een paadje achter het tuinhuis van aangever. Het tuinhuis sluit de tuin van aangever af. Het paadje komt uit op de openbare weg.

Het hof is van oordeel dat verdachte, mocht er op dat moment al twijfel bij hem hebben bestaan over de vraag of aangever het oogmerk had om zich van zijn eigendom te ontdoen, dit nader had moeten onderzoeken door bijvoorbeeld navraag te doen. Nu hij dat heeft nagelaten heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de goederen niet door aangever waren weggegooid. Daarmee acht het hof, minst genomen het voorwaardelijke opzet bewezen. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft gepleegd. In het verlengde hiervan acht het hof ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft gepleegd, nu kan worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk de drie rolluiken heeft vernield die aan aangever toebehoorden.”

Niet alleen heeft het hof onder de bewijsmiddelen opgenomen de verklaring van de verdachte voor zover inhoudend dat “het rolluik op gemeentegrond lag en hij het dus mocht pakken”, maar ook voor het overige kan uit de bewijsvoering niet zonder meer volgen dat de verdachte deze rolluiken heeft gepakt met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen en dat de verdachte opzettelijk rolluiken heeft vernield die aan iemand anders toebehoorden. De uitspraak van het hof is dus ontoereikend gemotiveerd.

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juli 2021.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2021-0249 RvdW 2021/839
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?