HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/03365
Datum 6 augustus 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 september 2020, nr. 19/1704 AOW, op het beroep van belanghebbende tegen het besluit van de Minister van 8 maart 2019 betreffende een verzoek tot het sluiten van een overeenkomst als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag van 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden en betreffende een verzoek om een veroordeling tot vergoeding van schade.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Minister, vertegenwoordigd door A. van der Weerd, heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2021.