HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/05248
Datum 28 september 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2019, nummer 22-005090-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N.F.M. van Osta, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in strijd met artikel 48 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsvrouw van de verdachte is gezonden.
Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een brief van advocaat N.F.M. Osta, gericht aan de strafgriffie van het hof Den Haag, die volgens een verzendcontrolerapport daar is binnengekomen op 24 december 2018 en die inhoudt dat zij de verdachte in hoger beroep als raadsvrouw bijstaat.Bij de stukken bevindt zich ook het dubbel (een kopie) van de dagvaarding in hoger beroep. Noch uit mededelingen gesteld op dat dubbel noch uit enig ander stuk dat aan de Hoge Raad is gezonden, kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan Osta is gezonden.Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is daar noch de verdachte noch diens raadsvrouw verschenen.
Uit wat hiervoor is vermeld vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift van de tweede volzin van artikel 48 Sv niet is nageleefd. Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 september 2021.