HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/01099 P
Datum 5 oktober 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 maart 2020, nummer 20-002871-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft R.J.M. Oerlemans, advocaat te ’s-Hertogenbosch, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft op 6 juli 2021 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Bij aanvullende conclusie van 14 september 2021 heeft hij geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het ingestelde beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Volgens artikel 432 lid 1, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering moet het cassatieberoep binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld als de betrokkene op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen.
Volgens de stukken is de betrokkene op de terechtzitting van het hof van 23 januari 2020 verschenen. Gelet op het voorgaande had daarom het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 5 maart 2020. Het beroep is echter pas ingesteld op 20 maart 2020. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 oktober 2021.