HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/03698 B
Datum 2 november 2021
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 20 oktober 2020, nummer RK 20-007079, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat geen openbare behandeling van het klaagschrift heeft plaatsgevonden.
De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager ongegrond verklaard. De beschikking van de rechtbank houdt onder meer het volgende in:
“Procesverloop
Op 21 augustus 2020 is ter griffie van deze rechtbank door of namens voornoemde klager bezwaar ingediend, gericht tegen het uitblijven van een last tot teruggave met betrekking tot hetgeen onder hem in beslag genomen is. Het klaagschrift is niet behandeld in raadkamer in verband met de genomen maatregelen rondom het Coronavirus. De officier van justitie heeft schriftelijk geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het klaagschrift.”
In de brief die is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.9, heeft de griffier van de rechtbank aan de raadsman van de klager medegedeeld dat de rechtbank klaagschriften als het onderhavige “in verband met de maatregelen die de rechtbank heeft getroffen tegen verspreiding van het coronavirus” in beginsel schriftelijk afdoet. In de brief wordt de raadsman gevraagd of hij akkoord gaat met zo’n schriftelijke afdoening en wordt de gelegenheid geboden het klaagschrift nader te onderbouwen en te reageren op het op schrift gestelde standpunt van de officier van justitie. De raadsman heeft in zijn schriftelijke reactie, die is weergegeven in de conclusie van de advocaatgeneraal onder 3.11, van die geboden gelegenheid gebruik gemaakt en vermeld: “De zaak kan verder schriftelijk worden afgedaan.”
Op grond van artikel 23 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moeten door de raadkamer het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers worden gehoord, althans hiertoe worden opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven. Op grond van artikel 552a lid 7 Sv dient het klaagschrift tijdens een openbare raadkamerzitting te worden behandeld.
Uit de beschikking van de rechtbank volgt dat geen openbare raadkamerzitting heeft plaatsgehad. Dit verzuim leidt echter niet tot cassatie. Uit de onder 2.2.2 weergegeven correspondentie volgt dat de door de griffier van de rechtbank aan de raadsman voorgestelde “schriftelijke afdoening” van het klaagschrift verband houdt met de uitbraak van de epidemie van COVID-19 en de in dat verband door de rechtbank getroffen maatregelen. Tegen die achtergrond heeft de raadsman in zijn schriftelijke reactie ingestemd met de in deze zaak gevolgde behandelingswijze van het klaagschrift. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat de schriftuur geen toelichting bevat met betrekking tot het belang van de klager bij cassatie en ook overigens niet is gebleken van een dergelijk belang, is de klacht dat het klaagschrift niet op een openbare raadkamerzitting is behandeld tevergeefs voorgesteld.
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 november 2021.