ECLI:NL:HR:2021:1644

ECLI:NL:HR:2021:1644, Hoge Raad, 05-11-2021, 20/00131

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 05-11-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/00131
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2019:10474
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 9 zaken
Aangehaald door 6 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0002359 BWBR0002469 BWBR0006358

Samenvatting

Art. 1 en art. 3 Wet KSB, art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, invoering van kansspelbelasting voor kansspelautomaten per 1 juli 2008, individuele en buitensporige last, rechtsherstel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 20/00131

Datum 5 november 2021

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 december 2019, nr. 17/00391, betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan kansspelbelasting over het tijdvak juli 2008.

1. Het eerste en tweede geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2014 is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. Bij arrest van de Hoge Raad van 17 maart 2017 is vernietigd de uitspraak van het laatstgenoemde Hof, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

2. Het derde geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende, vertegenwoordigd door B. Jongmans en D.G. Barmentlo, heeft een verweerschrift ingediend.

Namens partijen is de zaak toegelicht, voor belanghebbende door B. Jongmans, advocaat te Halfweg, en D.G. Barmentlo, advocaat te Amsterdam, voor de Staatssecretaris door C.M. Bergman, advocaat te Den Haag.

3. Uitgangspunten in cassatie

Belanghebbende is exploitant van kansspelautomaten. Zij heeft over het tijdvak juli 2008 een bedrag aan kansspelbelasting op aangifte voldaan. Tegen de voldoening op aangifte heeft zij bezwaar gemaakt.Tot 1 juli 2008 was belanghebbende over het bruto spelresultaat omzetbelasting verschuldigd (op dat moment 19 procent), waarbij als bruto spelresultaat werd aangemerkt de omzet inclusief omzetbelasting. Ten gevolge van een wetswijziging wordt vanaf die datum over het bruto spelresultaat geen omzetbelasting meer geheven, maar kansspelbelasting naar een tarief van 29 procent.

4. Procedure bij het Hof

Na verwijzing diende het Hof de vraag te beantwoorden of belanghebbende door de hiervoor genoemde wetswijziging is geconfronteerd met een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP).

Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord en geoordeeld dat het belanghebbende daarom rechtsherstel moet bieden. De omvang van het rechtsherstel heeft het Hof schattenderwijs bepaald op € 1.364.740.

5. Beoordeling van de middelen

5.1.1 Het eerste middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat belanghebbende door de bovengenoemde wetswijziging is geconfronteerd met een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP.

5.1.2 Het middel faalt. De Hoge Raad behoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel is het namelijk niet nodig antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.2.1 Het tweede middel bestrijdt de wijze waarop het Hof het aan belanghebbende als schadevergoeding te betalen bedrag heeft bepaald.

5.2.2 In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat het bedrag van € 1.364.740 kennelijk de optelsom vormt van het nadeel dat belanghebbende door de wetswijziging heeft ondervonden in de jaren 2008 tot en met 2011.In deze procedure gaat het om de uitspraak op bezwaar inzake één maand, zodat alleen voor in die maand geleden schade een vergoeding kan worden toegekend, aldus het middel.

5.2.3 Kennelijk heeft het Hof redengevend geacht dat als vaststaand feit moet worden beschouwd dat belanghebbende niet alleen in de maand juli 2008 maar ook in daarop volgende tijdvakken een aan de wetswijziging toe te schrijven verlies zal leiden, terwijl zijn in deze zaak gegeven oordeel dat dit verlies voor belanghebbende een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP vormt, in procedures over andere tijdvakken niet anders zal kunnen luiden. In aanmerking genomen dat de rechter bij het ontstaan van een individuele en buitensporige last steeds gehouden is effectief rechtsherstel te bieden, kon het Hof als uitgangspunt nemen dat van belanghebbende niet gevergd kan worden dat zij over elk tijdvak procedeert teneinde de individuele en buitensporige last te laten wegnemen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

5.2.4 In zoverre faalt het middel. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel voor het overige is het namelijk niet nodig antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

6. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2021.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 532.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2021/2618 V-N 2021/49.15 met annotatie van Redactie NJB 2021/3198 BNB 2022/13 met annotatie van P.G.H. ALBERT NLF 2021/2266 met annotatie van Ferhat Aksoy FED 2022/55 met annotatie van T.C. Gerverdinck NTFR 2021/3975 met annotatie van mr. A.J.C. Perdaems Viditax (FutD) 2021110506 FutD 2021-3397
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?