ECLI:NL:HR:2021:1758

ECLI:NL:HR:2021:1758, Hoge Raad, 26-11-2021, 20/02002

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 26-11-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/02002
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2021:721
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 6 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Procesrecht. Caribische zaak. Verdeling nalatenschap. Reformatio in peius door gedeeltelijke bevestiging vonnis gerecht?

Uitspraak

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn erfgenamen van [erflaatster 4] , overleden in 1989, en [de grootvader] , overleden in 1990 (hierna: de erflaters).

(ii) Tot de nalatenschap behoort een perceel grond in Sint Maarten (hierna: het perceel).

(iii) [verzoeker 5] is een kleinzoon van erflaters. Hij woont sinds 1985 op het perceel. Hij exploiteert daarop een bar-restaurant en verbouwt er groente.

[erflaatster 2] heeft in deze procedure, samengevat en voor zover van belang, scheiding en deling gevorderd van het perceel en toebehoren, met toebedeling van het perceel aan haar, waarbij aan [verzoekers] een vergoeding ter grootte van hun erfdeel toekomt, de ontruiming van het perceel door [verzoeker 5] en een verklaring voor recht dat [verzoeker 5] een gebruiksvergoeding verschuldigd is aan de nalatenschap voor het gebruik van het perceel in de afgelopen 25 jaar.

[verzoekers] vorderen in reconventie primair en subsidiair een verklaring voor recht dat [verzoeker 5] de rechtmatige eigenaar is van het perceel op grond van schenking, althans verjaring, en als rechtmatige eigenaar kan worden ingeschreven in het Kadaster, en meer subsidiair dat [erflaatster 2] wordt veroordeeld om een vergoeding te betalen aan [verzoeker 5] als compensatie voor het onderhouden en vermeerderen van de waarde van het perceel voor de duur van 25 jaar.

Het gerecht heeft bij eindvonnis, voor zover van belang, de verdeling van de nalatenschap van erflaters bevolen en de verkoop van het perceel gelast met verdeling van de opbrengst tussen de erfgenamen conform de verklaring van erfrecht. Het gerecht heeft bepaald dat de verkoop niet ten uitvoer wordt gelegd indien [verzoeker 5] aan de overige erfgenamen binnen drie maanden na betekening van het vonnis hun aandeel in de getaxeerde waarde voldoet ter verkrijging van het eigendomsrecht op het perceel.

[verzoekers] hebben hoger beroep ingesteld. Het hof heeft het vonnis van het gerecht bevestigd met uitzondering van de hiervoor in 2.3 bedoelde bepaling. Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

“2.6. Het bestreden vonnis (…) zal met uitzondering van de mogelijkheid van uitkoop voor [verzoeker 5] worden bevestigd.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat deze uitkomst niet in strijd komt met de regel dat een appellant, wanneer geen incidenteel appel is ingesteld, niet minder mag worden van zijn hoger beroep (verbod van ‘reformatio in peius’). [verzoekers] hebben met hun appel immers in zoverre succes gehad dat [verzoeker 5] veel langer dan de in het bestreden vonnis voorziene drie maanden de gelegenheid is geboden om de andere deelgenoten uit te kopen, en dat ook tegen een waarde die aanzienlijk lager was dan de getaxeerde waarde waarvan het GEA uitging. [verzoeker 5] heeft die mogelijkheid niet benut en hij is (…) daartoe ook niet in staat gebleken. Het is dan van iedere zin ontbloot om de door het GEA aan zijn beslissing verbonden voorwaarde, die de facto al lang is uitgewerkt, door bevestiging te handhaven, wat alleen maar tot onwenselijke verdere vertraging kan leiden. Aldus bezien worden [verzoekers] van de beperkte bevestiging van het bestreden vonnis niet minder en staat de enkele omstandigheid dat [verweerders] niet (tijdig) incidenteel hebben geappelleerd daaraan niet in de weg.”

[erflaatster 2] is in 2020 overleden. Haar erfgenamen zetten de procedure voort.

3. Beoordeling van het middel

Het middel klaagt onder andere dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 2.7 te oordelen dat het verbod van reformatio in peius niet is geschonden.

Deze klacht slaagt. De door het gerecht in het dictum opgenomen bepaling strekt in het voordeel van [verzoekers] Daartegen hebben [verzoekers] in hoger beroep dan ook geen grieven gericht. [verweerders] hebben geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Door te beslissen dat tot verkoop van het perceel moet worden overgegaan zonder dat [verzoeker 5] de mogelijkheid heeft om het perceel te verwerven, heeft het hof [verzoekers] in een slechtere positie gebracht dan waarin zij voor het hoger beroep verkeerden (reformatio in peius), hetgeen het hof niet vrijstond. Het hof heeft aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door het vonnis van het gerecht te bevestigen, met verlenging van de daarin opgenomen termijn tot drie maanden na de betekening van dit arrest.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 7 april 2020;

- bevestigt het vonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 21 september 2015, zoals aangevuld bij vonnis van 12 oktober 2015, met dien verstande dat de verkoop van het perceel niet ten uitvoer wordt gelegd indien [verzoeker 5] aan de overige erfgenamen binnen drie maanden na betekening van dit arrest hun aandeel in de getaxeerde waarde voldoet ter verkrijging van het eigendomsrecht op het perceel grond en toebehoren gelegen aan de Bushroad #7 in Sint Maarten;

- veroordeelt [verweerders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoekers] begroot op € 412,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerders] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, M.J. Kroeze en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 26 november 2021.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2021/3185 NJ 2021/388 RvdW 2021/1155 JERF Actueel 2021/504
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?