HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/01491
Datum 30 november 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 28 februari 2012, nummer 21-004099-11, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft F.T.C. Dölle, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend (uitgereikt).
Het arrest van het hof is bij verstek gewezen. De verdachte was in eerste aanleg evenmin ter terechtzitting aanwezig. Volgens artikel 588 lid 1, aanhef en onder b sub 3, (oud) van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt een dagvaarding uitgereikt aan de griffier indien de geadresseerde niet in Nederland is gedetineerd, niet als ingezetene is ingeschreven in de BRP, niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland van hem bekend is noch een adres in het buitenland. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland kan evenwel niet worden aangenomen, indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op het uit de stukken blijkend – voor de hand liggend en niet door latere opgave achterhaald – adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats zou kunnen gelden (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163).
In de bestreden uitspraak ligt als oordeel van het hof besloten dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend. De inhoud van de stukken met betrekking tot het procesverloop die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6. Die stukken houden in dat de dagvaarding in hoger beroep op 10 januari 2012 is uitgereikt aan de griffier omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was en dat de verdachte in zijn politieverhoor van 15 oktober 2008 als adres heeft opgegeven het adres van zijn moeder: [plaats] , [a-straat 1] , dat hij heeft verklaard dat dit tevens zijn postadres is voor meldingen in strafzaken, en dat hij er soms slaapt, maar meestal bij zijn vriendin in [plaats] , [b-straat 1] . Verder houden die stukken in dat blijkens een ID-staat SKDB van 7 februari 2012 vanaf 6 maart 2008 geen GBA adres (thans BRP adres) van de verdachte bekend is en geen laatst opgegeven woon- of verblijfplaats beschikbaar is. Het kennelijke oordeel van het hof dat geen van de door de verdachte in het politieverhoor van 15 oktober 2008 opgegeven adressen kan worden aangemerkt als een adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats zouden kunnen gelden en de verdachte rechtsgeldig is gedagvaard voor de terechtzitting in hoger beroep is, in aanmerking genomen wat hiervoor onder 2.2 is vooropgesteld, niet zonder meer begrijpelijk.
Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, slaagt het.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het eerste cassatiemiddel en de overige cassatiemiddelen niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verklaart de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 28 februari 2012 nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 november 2021.