HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/03683
Datum 21 december 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 november 2020, nummer 23-000771-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft M.M. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor zover daarbij de vordering tot betaling van een bedrag van € 1.005,00 ter zake van materiële schade is toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel, tot vermindering daarvan met een bedrag van € 1.005,00, met bepaling van de duur van de gijzeling op vijf dagen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde materiële schade heeft toegewezen met betrekking tot een schadepost die door de benadeelde partij voor het eerst in hoger beroep is gevorderd.
Uit de stukken blijkt dat [benadeelde] zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd met een vordering strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 9.308,67, waarvan € 1.173,82 voor materiële schade en € 8.134,85 voor immateriële schade. De politierechter heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, met een aangepaste vordering strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 7.250, waarvan € 2.250 voor materiële schade en € 5.000 voor immateriële schade. De betreffende ‘Toelichting vordering benadeelde partij’ bevat onder meer een in eerste aanleg nog niet opgevoerde schadepost van € 1.005 voor ‘medische kosten’.
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.505, bestaande uit € 1.005 wegens materiële schade ter zake van de in 2.2.1 bedoelde ‘medische kosten’ en € 500 wegens immateriële schade, en de verdachte veroordeeld dit bedrag te betalen aan de benadeelde partij. Verder heeft het hof de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer van een bedrag van € 1.505 en de duur van de gijzeling bepaald op ten hoogste 25 dagen.
Op grond van artikel 421 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering kan, voor zover de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering. De in deze wetsbepaling opgenomen beperking moet zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding mag verhogen (vgl. HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945). Het oordeel van het hof dat de door de benadeelde partij [benadeelde] voor het eerst in hoger beroep gevorderde ‘medische kosten’ voor toewijzing in aanmerking komen, is daarom onjuist.
Het cassatiemiddel - waarin niet wordt geklaagd over de schadevergoedingsmaatregel die ter zake van hetzelfde feit en voor een gelijk bedrag is opgelegd als de (gedeeltelijk) toegewezen vordering van de benadeelde partij - is terecht voorgesteld. Een vernietiging door de Hoge Raad van de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] voor wat betreft de gevorderde materiële schade laat echter de verplichting voor de verdachte tot betaling van de voor hetzelfde feit en voor een gelijk bedrag opgelegde schadevergoedingsmaatregel in stand, nu de klacht zich niet keert tegen de materiële verschuldigdheid van de schade (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901, rechtsoverweging 2.3.2 en 2.3.3). Daarom heeft de verdachte onvoldoende belang bij de klacht over de beslissing van het hof met betrekking tot de door de benadeelde partij [benadeelde] voor het eerst in hoger beroep gevorderde medische kosten. Het cassatiemiddel kan om die reden niet tot cassatie leiden.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de benadeelde partij [benadeelde] zijn voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2021.