HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/03893
Datum 21 december 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 november 2020, nummer 21-001270-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft bij conclusie van 21 september 2021 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
De advocaat-generaal heeft bij aanvullende conclusie van 16 november 2021 geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Uit de stukken van het geding moet worden afgeleid dat de verdachte met de dag van de terechtzitting van het hof van 3 november 2020 tevoren bekend was. Daarom had op grond van artikel 432 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen nadat het hof direct op 3 november 2020 uitspraak had gedaan. Het beroep is echter pas ingesteld op 26 november 2020. In de schriftelijke reactie op de conclusie van de advocaat-generaal van 21 september 2021 is echter een beroep gedaan op medische gegevens, die betrekking hebben op de verdachte. Deze gegevens vormen – mede gelet op het procesverloop zoals dat is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal van 21 september 2021 onder 4 onder viii, x, xi en xii – bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. De verdachte kan daarom in het cassatieberoep worden ontvangen.
3. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geen mondelinge bezwaren als bedoeld in artikel 416 lid 2 Sv heeft ingediend.
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de aanvullende conclusie van de advocaat-generaal van 16 november 2021 onder 10.
Opmerking verdient nog het volgende. Het geval kan zich voordoen dat op de terechtzitting in hoger beroep door of namens de verdachte bezwaren tegen het vonnis worden opgegeven en dat nadien, op een latere zitting, het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aanvangt overeenkomstig artikel 322 lid 3 Sv in verbinding met artikel 415 lid 1 Sv. Een niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep op grond van artikel 416 lid 2 Sv blijft in dat geval achterwege, omdat het voor de toepasselijkheid van artikel 416 lid 2 Sv niet uitmaakt of het onderzoek ter terechtzitting al dan niet opnieuw is aangevangen nadat op de eerdere terechtzitting de bezwaren tegen het vonnis naar voren zijn gebracht.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2021.