ECLI:NL:HR:2021:314

ECLI:NL:HR:2021:314, Hoge Raad, 02-03-2021, 19/05757

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 02-03-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/05757
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2021:5
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2019:4891
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 12 zaken
Aangehaald door 3 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0001941

Samenvatting

Gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr), oplichting (art. 326.1 Sr) en aanwezig hebben MDMA (art. 2.C Opiumwet). Niet beslist op beroep van raadsman op overschrijding redelijke termijn in e.a. Raadsman heeft verweer gevoerd waarop hof gemotiveerde beslissing had moeten geven. Omdat zo’n beslissing in ’s hofs uitspraak ontbreekt, is middel terecht voorgesteld. HR doet zaak zelf af door aan te nemen dat in e.a. redelijke termijn is overschreden en opgelegde gevangenisstraf met 1 maand te verminderen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/05757

Datum 2 maart 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 18 december 2019, nummer 23-001239-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.C. Polat, advocaat te Breukelen UT, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het beroep op overschrijding van de redelijke termijn dat namens de verdachte is gedaan.

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2019 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“2. Allereerst kan ik er niet omheen door te beginnen met de opmerking dat het zeer kwalijk is dat deze zaak zo lang op zich heeft laten wachten. Geachte Leden, het was 16 september 2014, toen cliënt werd aangehouden en 20 maart 2018 toen deze zaak in eerste aanleg voorkwam.

(...)

124. Het behoeft geen betoog dat de redelijke termijn geschonden is, maar de verdediging noemt het toch. Van een afdoening binnen twee jaren in eerste aanleg is geen sprake. We zijn vandaag 5 jaar en drie maanden verder.”

De raadsman heeft hiermee een verweer gevoerd waarop het hof een gemotiveerde beslissing had moeten geven. Omdat zo’n beslissing in de uitspraak van het hof ontbreekt, is het cassatiemiddel terecht voorgesteld.

De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen. Aangenomen moet worden dat in eerste aanleg de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van negen maanden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze acht maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2021.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RvdW 2021/317
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?