HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/01189 Br
Datum 18 mei 2021
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 maart 2020, nummer RK 20-001299, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de klager heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. Het keert zich daarbij tegen de overwegingen van de rechtbank dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag op de inbeslaggenomen voorwerpen, waaronder de gegevensdragers, vordert omdat aannemelijk is dat deze voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, en dat geen grond bestaat om over te gaan tot teruggave van de gegevensdragers of kopieën van de daarop opgeslagen gegevens aan de klager.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de met deze zaak samenhangende zaak 20/01190, ECLI:NL:HR:2021:679.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 mei 2021.