ECLI:NL:HR:2021:784

ECLI:NL:HR:2021:784, Hoge Raad, 28-05-2021, 20/00723

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 28-05-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/00723
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2020:1204
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2019:10166
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0005289

Samenvatting

Procesrecht. Herroeping arbitrale vonnissen (art. 1068 Rv). Begin termijn art. 1068 lid 2 Rv indien beroep wordt gedaan op elk van de drie herroepingsgronden.

Uitspraak

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 – 1.23. Deze komen, kort samengevat, op het volgende neer.

(i) De werknemer is in 2004 in dienst getreden bij het ziekenhuis. Begin 2009 hebben partijen een beëindigingsovereenkomst gesloten. Daarin zijn zij bij wijze van afvloeiingsregeling overeengekomen dat de werknemer na het einde van het dienstverband recht heeft op de wachtgeldregeling uit de CAO Ziekenhuizen. Ingevolge die CAO is op de hoogte van het wachtgeld van invloed of de werknemer inkomsten elders genereert en dient de werknemer het ziekenhuis hieromtrent te informeren.

(ii) Tussen partijen zijn geschillen ontstaan over de uitvoering van de beëindigingsovereenkomst. In 2011 hebben zij een arbitrale procedure in kort geding gevoerd en in 2012 een arbitrale bodemprocedure. In het kort geding vorderde het ziekenhuis in reconventie onder meer afschriften van dan wel inzage in diverse stukken betreffende inkomsten van de werknemer uit arbeid of bedrijf waarbij hij betrokken is. Die vordering is bij arbitraal vonnis in kort geding afgewezen. In de bodemprocedure vorderde het ziekenhuis kort gezegd ontbinding van de afvloeiingsregeling, althans zodanige wijziging daarvan dat aan de werknemer vanaf september 2009 geen wachtgeld meer toekomt, en terugbetaling van over de jaren 2009, 2010 en 2011 uitgekeerd wachtgeld met rente. Die vordering is bij arbitraal bodemvonnis grotendeels afgewezen.

In dit geding vordert het ziekenhuis met een beroep op herroepingsgronden vernietiging van het arbitrale vonnis in kort geding en van het arbitrale bodemvonnis (art. 1068 Rv). Het ziekenhuis legt aan de vorderingen ten grondslag dat beide vonnissen berusten op door de werknemer gepleegd bedrog en door hem overgelegde valse stukken, terwijl de werknemer relevante stukken heeft achtergehouden die pas na het wijzen van die vonnissen in het bezit van het ziekenhuis zijn gekomen en die op die vonnissen van invloed zouden zijn geweest. Het gepleegde bedrog betreft volgens het ziekenhuis met name de onjuiste mededelingen en verzwijging over de relatie tussen enerzijds de werknemer en anderzijds enkele vennootschappen, waaronder Actus Holding Ltd, en over de (on)mogelijkheid voor de werknemer om een hoger loon te bedingen bij Actus Holding Ltd en – als “Ultimate Beneficial Owner” (UBO) – over eventueel dividend van deze vennootschap te beschikken. Ook de valse stukken en de achtergehouden stukken hebben hierop betrekking, aldus het ziekenhuis.

De werknemer heeft onder meer aangevoerd dat het ziekenhuis de vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen te laat heeft ingesteld. Het hof heeft dit verweer verworpen en beide arbitrale vonnissen vernietigd. De verwerping van genoemd verweer berust onder meer op de volgende overwegingen. Het hof gaat er veronderstellenderwijs vanuit dat het ziekenhuis in ieder geval vanaf 29 augustus 2012 (de mondelinge behandeling in de arbitrale bodemprocedure) wist dat het OM en de FIOD onderzoek deden naar onder meer mogelijk bedrog/valsheid in geschrifte door de werknemer in de arbitrale kortgedingprocedure. Het enkele feit dat strafrechtelijk onderzoek werd gedaan naar mogelijk door de werknemer gepleegd bedrog en valsheid in geschrifte, bracht nog niet mee dat het ziekenhuis ervan moest uitgaan dat het OM en de FIOD over voldoende bewijs beschikten. Het stond het ziekenhuis in de omstandigheden van het geval dus vrij om te wachten met het (herhaalde) verzoek om toezending van het strafdossier tot het moment dat het ziekenhuis ervan op de hoogte raakte dat het OM de werknemer voor de rechter daagde (nu hieruit blijkt dat het OM in ieder geval zelf meende over voldoende bewijs te beschikken), en om vervolgens aan de hand van het toegezonden strafdossier zelf te beoordelen of voldoende bewijs aanwezig was voor een herroepingsprocedure. Uit de publicaties in de media begin mei 2017 heeft het ziekenhuis kunnen vernemen dat het OM de werknemer voor de rechter had gedaagd voor onder meer het bedrog en de valsheid in geschrifte, maar het strafdossier is het ziekenhuis (onbetwist) pas toegestuurd op 19 juni 2017. Nu het ziekenhuis pas na bestudering door haarzelf van het strafdossier bekend was met het bedrog en de valsheid in geschrifte en de bescheiden in handen heeft gekregen waaruit bleek dat de werknemer de UBO van Actus Holding Ltd was, heeft zij de herroepingsvorderingen met het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 4 september 2017 en het introduceren van de zaak bij het hof op 12 september 2017 tijdig aangebracht, aldus nog steeds het hof. (rov. 4.5)

3. Beoordeling van het middel

De onderdelen 1.2 en 1.3 richten vanuit verschillende invalshoeken klachten tegen het oordeel van het hof over het moment waarop het ziekenhuis met de herroepingsgrond(en) ‘bekend is geworden’ als bedoeld in art. 1068 lid 2 Rv. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Art. 1068 lid 1 Rv houdt in dat herroeping van een arbitraal vonnis slechts kan plaatsvinden op een of meer van de navolgende gronden: a) het vonnis berust geheel of ten dele op na de uitspraak ontdekt bedrog, door of met medeweten van de wederpartij in de arbitrale procedure gepleegd, b) het vonnis berust geheel of ten dele op bescheiden die na de uitspraak vals blijken te zijn, c) een partij heeft na de uitspraak bescheiden die op de beslissing van het scheidsgerecht van invloed zouden zijn geweest en door toedoen van de wederpartij zijn achtergehouden, in handen gekregen.

Art. 1068 lid 2 Rv houdt in, voor zover hier van belang, dat de vordering tot herroeping wordt aangebracht binnen drie maanden nadat het bedrog of de valsheid in geschrifte bekend is geworden of een partij de nieuwe bescheiden in handen heeft gekregen.

Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 2.2.1 is vermeld, heeft het ziekenhuis met een beroep op elk van de in art. 1068 lid 1 Rv genoemde herroepingsgronden vernietiging van de arbitrale vonnissen gevorderd. Bij een dergelijke vordering kan de driemaandentermijn van art. 1068 lid 2 Rv voor elke grond beginnen op hetzelfde moment of juist op uiteenlopende momenten, al naar gelang de omstandigheden van het geval. Het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het hof komt erop neer dat het moment waarop het ziekenhuis met het bedrog en de valsheid in geschrifte bekend is geworden, in dit geval samenvalt met het moment waarop het ziekenhuis het strafdossier in handen heeft gekregen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk. Het hof was niet gehouden tot een nadere motivering. Hierop stuiten de klachten van de onderdelen af.

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het ziekenhuis begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de werknemer deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter, de vicepresident C.A. Streefkerk en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 28 mei 2021.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2021/1647 NJ 2021/207 RvdW 2021/582 JIN 2021/107 met annotatie van Poutsma, S.E. TVA 2021/60 NTHR 2021, afl. 4, p. 171 RBP 2021/70 TvPP 2021, afl. 5, p. 191
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?