HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/03123
Datum 11 juni 2021
ARREST
in de zaak van
[X1] en [X2] te [Z] (hierna: belanghebbenden), vertegenwoordigd door K.U.J. Hopman,
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Centrale Raad van Beroep van 26 augustus 2020 (nrs. 18/1239 AOW en 18/1240 AOW), op het hoger beroep van de sociale verzekeringsbank tegen de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland (nrs. 17/2534 en17/2535 betreffende besluiten van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen.
De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet–ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2021.