ECLI:NL:HR:2022:1057

ECLI:NL:HR:2022:1057, Hoge Raad, 08-07-2022, 21/00687

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 08-07-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/00687
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2022:234
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2020:3530
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 6 zaken
Aangehaald door 2 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001860 BWBR0005289 BWBR0005290 BWBR0005291

Samenvatting

Procesrecht. Executierecht. Rangregeling ter verdeling executieopbrengst (art. 3:271 BW; art. 552 Rv in verbinding met de art. 482-490a en 490c-d Rv). Aanmelden vordering; tegenspraak. Renvooiprocedure over verificatie vordering. Niet-toelaatbare eiswijziging in renvooiprocedure?

Uitspraak

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Rasenberg Vastgoed B.V. (hierna: Rasenberg Vastgoed) is in 2008 eigenaar geworden van een onroerende zaak (hierna: het registergoed). Rasenberg Vastgoed heeft de bestaande bebouwing vervangen door een nieuw kantoorgebouw.

(ii) Omtrent de financiering van de nieuwbouw heeft Rasenberg Vastgoed in 2008 met ING Lease overeenstemming bereikt over het aangaan van een zogenoemde sale-and-operational-lease-backovereenkomst (hierna ook: de SOLB-overeenkomst).

(iii) In februari 2009 heeft Rasenberg Vastgoed een recht van eerste hypotheek op het registergoed verleend aan ING Bank N.V. en ING Lease. Dit recht van hypotheek strekt tot zekerheid voor onder meer al hetgeen ING Lease nu of in de toekomst uit hoofde van de SOLB-overeenkomst van Rasenberg Vastgoed te vorderen mocht hebben, uit welken hoofde ook, voortvloeiend uit of verband houdend met de SOLB-overeenkomst.

(iv) De SOLB-overeenkomst is ondertekend in mei 2009 en bestaat uit een inleiding, een deel I met als titel “Koopovereenkomst” (waarbij ING Lease van Rasenberg Vastgoed de economische eigendom van het registergoed koopt voor een bedrag van € 3.000.000,--) en een deel II met als titel “Lease-overeenkomst” (betreffende de lease door Rasenberg Vastgoed van het registergoed van ING Lease).

(v) ING Lease heeft de koopprijs voor de economische eigendom voldaan door € 3.000.000,-- aan Rasenberg Vastgoed te betalen. Daarmee heeft Rasenberg Vastgoed een krediet van ING Bank afgelost.

(vi) In 2014 is Rasenberg Vastgoed in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curatoren als zodanig.

(vii) ING Lease heeft bij brief van 12 februari 2014 aan de curatoren een vordering van € 2.492.257,67 ter verificatie ingediend.

(viii) Als hypotheekhouder heeft ING Lease het registergoed in mei 2015 executoriaal verkocht. De gehele koopsom is onder een notaris als gerechtelijk bewaarder gedeponeerd.

(ix) In december 2015 heeft ING Lease verzocht om een gerechtelijke rangregeling. In het kader van deze rangregeling heeft ING Lease haar vordering begroot op een bedrag van € 3.323.150,94. Die vordering hebben de curatoren erkend tot een bedrag van € 91.231,32. Dat bedrag heeft de notaris aan ING Lease uitgekeerd. Voor het overige betwisten de curatoren de vordering van ING Lease. Onder de notaris rust thans nog een bedrag van € 1.058.768,68 in depot.

(x) De rechter-commissaris heeft het geschil op de voet van art. 486 lid 1 Rv verwezen naar onderhavige renvooiprocedure.

Bij eis tot verificatie heeft ING Lease gevorderd, voor zover in cassatie van belang, voor recht te verklaren dat ING Lease een vordering van € 3.323.150,94 heeft en als hoogst gerangschikte schuldeiser recht heeft op de verkoopopbrengst, en ING Lease te machtigen zich het onder de notaris berustende bedrag te doen uitkeren.

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, het vonnis van de rechtbank vernietigd, geoordeeld dat de vordering van ING Lease ten minste € 2.400.000,-- bedraagt en verstaan dat ING Lease op de gehele opbrengst batig gerangschikt dient te worden. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“3.4. (…) In dit hoger beroep vordert ING Lease dat het hof (…) oordeelt dat de vordering van ING ten minste EUR 2.400.000,- bedraagt (…).

3.5. Curatoren hebben bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering (…).

3.6. Het hof is met ING Lease van oordeel dat het bepaalde in [de art. 485a lid 2, 482 en 484 Rv] niet in de weg staat aan de eiswijziging van ING Lease. ING Lease sluit met haar eiswijziging in dit hoger beroep aan bij de vordering zoals de rechtbank die begrepen en beoordeeld heeft en vordert vast te stellen dat haar vordering op failliet ten minste € 2.4 miljoen bedraagt, althans een zodanig bedrag dat zij daarvoor op de gehele opbrengst van de executie batig dient te worden gerangschikt. Het hof is van oordeel dat ING Lease daarmee van meet af aan dezelfde vorderingen naar voren brengt. Het gaat ING Lease als separatist immers steeds om de naar haar mening op de executieopbrengst verhaalbare vorderingen uit hoofde van de afwikkeling van de SOLB-overeenkomst. Dat is ook steeds onmiskenbaar duidelijk geweest voor curatoren. […] ING Lease heeft de grondslag van haar vorderingen, mede als reactie op standpunten van curatoren, in de renvooiprocedure nader uitgewerkt. Deze handelwijze is geoorloofd. Uit de hiervoor aangehaalde wetsartikelen volgt geen andere regel.

3.7. Het hof ziet ook voor het overige geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Niemand is misleid. Niemand is op het verkeerde been gezet. Niemand is in zijn procespositie geschaad. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.”

3. Beoordeling van het middel

Onderdeel 1 houdt onder meer de klacht in dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat ING Lease haar eis in hoger beroep mocht wijzigen, omdat – aldus de klacht – een eiswijziging zoals een grondslagvermeerdering niet toegestaan is in een renvooiprocedure. Uit het stelsel van de wet – art. 552 Rv in verbinding met de art. 482-490a en 490cd Rv – blijkt dat het in een renvooiprocedure uitsluitend kan gaan over de vordering die bij de rechter-commissaris aangemeld en weersproken is. Met dit stelsel is onverenigbaar dat in (het hoger beroep van) een renvooiprocedure een nieuwe vordering ingesteld wordt, aldus het onderdeel.

De klacht faalt. In een renvooiprocedure is een wijziging van de eis in ieder geval toelaatbaar indien daarmee niet getreden wordt buiten de grenzen van hetgeen partijen ten overstaan van de rechter-commissaris verdeeld hield. Opmerking verdient daarbij dat deze grenzen niet steeds scherp hoeven te zijn getrokken, aangezien zowel bij het aanmelden van de vordering als bij het doen van tegenspraak slechts summier hoeft te zijn opgegeven wat wordt gevorderd respectievelijk tegengesproken en op welke gronden.

Voor zover de klacht ervan uitgaat dat het hof een eiswijziging heeft toegelaten die de zojuist bedoelde grenzen overschrijdt, mist zij feitelijke grondslag. Het hof heeft immers overwogen (in rov. 3.6) dat ING Lease van meet af aan dezelfde vorderingen naar voren brengt, dat dit voor de curatoren steeds onmiskenbaar duidelijk is geweest en dat ING Lease in de renvooiprocedure, mede als reactie op standpunten van de curatoren, slechts de grondslag van haar vorderingen nader heeft uitgewerkt.

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt de curatoren in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ING Lease begroot op € 916,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de curatoren deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 8 juli 2022.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2022/1763 RvdW 2022/718 NJ 2022/263 JOR 2022/270 met annotatie van Eeden-van Harskamp, M.P. van RBP 2022/77 TvI 2022/34 met annotatie van D.G.J. Heems, R.R. Verkerk JBPr 2023/53 met annotatie van Mr. R.J. van Galen
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?