HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/03461
Datum 12 juli 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 oktober 2020, nummer 20-002464-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben I.T.H.L. van de Bergh en S.J.F. van Merm, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 10 tenlastegelegde, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de rechtbank is vernietigd, tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging ter zake van het onder 10 tenlastegelegde, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
Op grond van wat is vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 60 is de Hoge Raad van oordeel dat het onder 10 tenlastegelegde feit is verjaard.
De Hoge Raad zal wat betreft feit 10 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. Voor het verminderen van de duur van de opgelegde gevangenisstraf bestaat onvoldoende grond, omdat de aard en de ernst van wat overigens ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door deze gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 juli 2015, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 10 tenlastegelegde;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 10 tenlastegelegde;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juli 2022.