HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/03447
Datum 12 juli 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 oktober 2020, nummer 20-002456-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte.
Volgens de daarvan opgemaakte akte is – zo begrijpt de Hoge Raad – het beroep niet gericht tegen de vrijspraak van (i) het onder 3 impliciet primair tenlastegelegde gewoontewitwassen, (ii) het onder 3 impliciet subsidiair tenlastegelegde witwassen na het tweede en het derde gedachtestreepje en (iii) het onder 4 tenlastegelegde.
Namens de verdachte heeft A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof de afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat het in de inkomensverklaring genoemde begrip ”jaarinkomen” niet uitsluitend betrekking heeft op inkomen uit arbeid, onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
Het cassatiemiddel slaagt in zoverre. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 27 – 40.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het eerste cassatiemiddel en het restant van het tweede cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen zoals hiervoor onder 1 is weergegeven;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juli 2022.