HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/04117
Datum 23 september 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN HET UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 augustus 2021, nr. 19/1881 ZW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. 18/3021) betreffende besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ingevolge de Ziektewet en de Werkloosheidswet en een verzoek van belanghebbende om schadevergoeding op grond van titel 8.4 Awb.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door R. Kiewitt, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld en daarbij een klacht aangevoerd.
2. Beoordeling van de klacht
De Hoge Raad heeft de klacht over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat de klacht niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2022.