HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/00547
Datum 4 oktober 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te Arnhem van 29 oktober 1999, nummer 21-000230-99, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum ] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in de vervolging van hetgeen onder 1, 2, 4, 5 en 7 aan de verdachte ten laste is gelegd en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak met inachtneming van de hiervoor genoemde beslissingen op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
Het eerste cassatiemiddel voert aan dat wat betreft feit 1, feit 2 en feit 4 het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen. Het tweede cassatiemiddel voert aan dat wat betreft feit 5 en feit 7 het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
De cassatiemiddelen slagen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 11 tot en met 21 en 25 tot en met 30.
De Hoge Raad zal wat betreft feit 1, feit 2, feit 4, feit 5 en feit 7 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de gebruikte bewijsmiddelen ontbreken in het arrest en dat het arrest evenmin met bewijsmiddelen is aangevuld.
Op grond van artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in verbinding met artikel 415 Sv moet een verkort arrest waartegen een gewoon rechtsmiddel wordt aangewend binnen vier maanden worden aangevuld met de bewijsmiddelen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden onder meer verzocht om de toezending van de voor het arrest gebruikte bewijsmiddelen. Bij de stukken bevinden zich die bewijsmiddelen niet, maar wel een brief van de griffier van het hof op grond waarvan moet worden aangenomen dat het arrest niet is aangevuld met de bewijsmiddelen.
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
4. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het vierde en het vijfde cassatiemiddel niet nodig.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 1, 2, 4, 5 en 7 tenlastegelegde;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak voor het overige opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2022.