2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) ELN heeft in 2015-2016 in opdracht van [eiser] voor diens woning nieuwe kozijnen en buitendeuren geleverd en gemonteerd. Volgens de overeenkomst waren alle prijzen inclusief ‘veiligheidsbeslag politiekeurmerk veilig wonen’; de deursloten moesten zijn voorzien van SKG**-cilinders met antitrekbeveiliging. De op de achterdeur aangebrachte cilinder had echter geen antitrekbeveiliging.
(ii) Toen [eiser] op 20 januari 2018 niet thuis was, heeft een inbreker de cilinder uit het slot van de achterdeur getrokken en zaken uit de woning gestolen.
(iii) [eiser] heeft van zijn inboedelverzekeraar een deel van de door de inbraak geleden schade vergoed gekregen. Hij heeft ELN aangesproken voor de door hem gestelde resterende schade.
[eiser] vordert dat ELN wordt veroordeeld tot betaling van € 8.720,99. De kantonrechter heeft deze vordering toegewezen.
Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vordering van [eiser] afgewezen. Het heeft daartoe onder meer als volgt overwogen:
“4.2 In beginsel rust op [eiser] de stelplicht en bewijslast van zijn stelling dat de inbraak niet zou hebben plaatsgevonden als het achterdeurslot was voorzien van een antitrekbeveiliging. ELN bestrijdt een dergelijk hypothetische mogelijkheid gemotiveerd.
Uit de politieaangifte van [eiser] blijkt het volgende. De inbreker is via het hek de achtertuin in gegaan. Daar heeft hij de schriklamp aan de gevel omhoog gedraaid met het doel om deze te saboteren. Zo kon hij ongezien en ongestoord (de bewoners waren niet thuis) zijn gang gaan en had hij alle tijd om binnen te komen. Eerst heeft hij dat geprobeerd met een koevoet, waardoor schade is ontstaan aan de onderzijde van het kozijn en van de achterdeur. Toen dat niet lukte, heeft de inbreker de cilinder uit het achterdeurslot getrokken en zich zo toegang tot de woning verschaft.
Een SKG**-cilinder met antitrekbeveiliging biedt geen garantie dat er niet kan worden ingebroken. De “ProductenlijstPolitiekeurmerk Veilig Wonen Bestaande Bouw” is gericht op drie minuten inbraakwerendheid. [eiser] heeft verder niet weersproken dat het voor een inbreker, als een slot is voorzien van een SKG**-cilinder met antitrekbeveiliging, met een koevoet hooguit een paar minuten meer tijd kost om binnen te komen. In het licht van de hiervoor beschreven aanloop en werkwijze van de inbreker heeft [eiser] niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de inbreker zich door een SKG**- cilinder met antitrekbeveiliging zou hebben laten weerhouden om binnen te komen en, vanwege het tijdsbeslag, naar elders zou zijn vertrokken. De inbraak vond plaats aan de achterkant van de woning, de (schrik)lamp was weggedraaid en [eiser] was niet thuis op dat moment. Zo’n cilinder met antitrekbeveiliging zou hier een inbraak niet hebben voorkomen. Het is dan ook niet redelijk, zoals [eiser] voorstaat, de onzekerheid over het causaal verband tussen de tekortkoming van ELN en de inbraakschade van [eiser] voor risico van ELN te laten. Aan de door [eiser] gevraagde toepassing van de zogenaamde omkeringsregel komt het hof niet toe. Op deze grond kan de vordering van [eiser] dan ook niet toegewezen worden.”
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel 2 van het middel klaagt onder meer over het oordeel van het hof (in rov 4.4) dat het aan de toepassing van de omkeringsregel niet toekomt. Doordat de achterdeur niet was voorzien van een antitrekbeveiliging, wat als een tekortkoming van ELN moet worden aangemerkt, is het risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven geroepen en nu dit risico zich vervolgens ook heeft verwezenlijkt, is daarmee het causaal verband tussen de gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel gegeven en was het aan ELN om te stellen en zo nodig te bewijzen dat die schade ook zonder die tekortkoming zou zijn ontstaan, aldus het onderdeel.
Deze klacht faalt. Het hof is terecht ervan uitgegaan dat de bewijslast ten aanzien van het causaal verband tussen de tekortkoming van ELN en de inbraakschade van [eiser] op [eiser] rust. Het heeft in de rov. 4.3 en 4.4 op basis van het door [eiser] en ELN aangedragen bewijs de door partijen aangevoerde omstandigheden gewogen. Het hof heeft op grond daarvan geoordeeld dat [eiser] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de inbreker zich door een slot met antitrekbeveiliging zou hebben laten weerhouden om binnen te komen, en dat het causaal verband dus niet is komen vast te staan. Het oordeel van het hof dat het niet aan toepassing van de omkeringsregel toekomt, geeft in het licht van het voorgaande geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
De klachten van onderdeel 1 en de overige klachten van onderdeel 2 kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
Het met de onderdelen 1 en 2 tevergeefs bestreden oordeel van het hof dat causaal verband tussen de tekortkoming van ELN en de inbraakschade ontbreekt, kan de afwijzing van de vordering van [eiser] zelfstandig dragen. Bij de behandeling van de onderdelen 3 en 4, die zich richten tegen het oordeel van het hof over de contractuele aansprakelijkheidsuitsluiting van ELN, bestaat dan ook geen belang. De klacht van onderdeel 5 bouwt op de andere klachten voort en kan derhalve evenmin tot cassatie leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ELN begroot op € 916,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 14 oktober 2022.