ECLI:NL:HR:2022:1463

ECLI:NL:HR:2022:1463, Hoge Raad, 14-10-2022, 21/04086

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 14-10-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/04086
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2022:449
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2021:8279
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 7 zaken
Aangehaald door 3 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0002320 BWBR0005537 BWBR0011353 BWBR0015703 BWBR0032904

Samenvatting

HR verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 21/04086

Datum 14 oktober 2022

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 augustus 2021, nr. 20/00735, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 19/4344) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door K.A. Faber, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft binnen de door de Hoge Raad gestelde termijn ook zelf een geschrift ingediend, dat de Hoge Raad aanmerkt als een aanvulling op het beroepschrift in cassatie.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft afgezien van het indienen van een conclusie van dupliek. De Staatssecretaris heeft vervolgens – nadat hij daartoe in de gelegenheid was gesteld – gereageerd op het door belanghebbende zelf ingediende geschrift. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op deze reactie van de Staatssecretaris.

Op 13 mei 2022 heeft Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten in cassatie

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft in 2018 van de gemeente Heerenveen op grond van de Participatiewet een uitkering van € 15.269 ontvangen (hierna: de uitkering).

Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2018 een bedrag van € 1.726,24 als kosten in aftrek gebracht op de uitkering. Daarvan heeft in totaal € 743 betrekking op incassokosten en advocaatkosten vanwege het sluiten van een betalingsregeling met een derde. De overige € 983,24 heeft betrekking op telefoonkosten, reiskosten en kosten voor een ondernemingsplan. De Inspecteur heeft de aftrek van deze kosten geweigerd.

Voor het Hof was in geschil de door belanghebbende gevraagde aftrek van het bedrag van € 1.726,24.

Volgens het Hof zijn de incassokosten en advocaatkosten voor het sluiten van een betalingsregeling geen kosten die zijn gemaakt tot verwerving, inning of behoud van de uitkering. Ter zake van de overige kosten oordeelde het Hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij die kosten heeft gemaakt.

3. Beoordeling van de middelen

De middelen keren zich onder meer tegen het oordeel van het Hof dat de hiervoor in 2.1.2 genoemde incassokosten en advocaatkosten geen aftrekbare kosten tot verwerving, inning of behoud van de uitkering zijn.

De middelen falen in zoverre. Kosten die zijn gemaakt om een betalingsregeling te treffen in verband met een schuld aan een derde zijn niet aan te merken als kosten tot verwerving, inning of behoud van een periodieke uitkering of verstrekking, als bedoeld in artikel 3.108 Wet IB 2001. Dit wordt niet anders als het sluiten van de betalingsregeling met een derde mede tot doel heeft eventuele beslaglegging door de derde, zoals in dit geval op de uitkering, te vermijden of op te heffen.

Voor het overige kunnen de middelen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen in zoverre is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4. Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, M.T. Boerlage, P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2022.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2022/2535 NTFR 2022/3476 met annotatie van mr. J. de Haan NLF 2022/2079 met annotatie van Edwin Thomas V-N 2022/50.3 met annotatie van Redactie BNB 2023/9 met annotatie van P.G.H. ALBERT FED 2024/18 met annotatie van B. Didden Viditax (FutD) 2022101414 FutD 2022-2803
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?