HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/00852
Datum 15 november 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 februari 2021, nummer 21-002494-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W. Römelingh, advocaat te 's–Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat het hoger beroep te laat is ingesteld.
De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal. Kort samengevat houden deze in dat de verdachte in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld; de inleidende dagvaarding niet in persoon aan hem was uitgereikt; het vonnis in eerste aanleg is uitgesproken op 13 februari 2020 en namens de verdachte hoger beroep is ingesteld op 24 juli 2020. Verder bevindt zich bij de stukken een akte van uitreiking van 13 juni 2020 – met als tijdaanduiding 02:05 uur – waarin onder meer het parketnummer van de strafzaak in eerste aanleg en de persoonsgegevens van de verdachte zijn vermeld met daaraan gehecht een mededeling uitspraak die is gedateerd op 22 juni 2020 en betrekking heeft op het vonnis in deze strafzaak in eerste aanleg.
Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe het volgende overwogen:
“Het dossier bevat een akte van uitreiking, waaraan een mededeling uitspraak is gehecht van het vonnis van de politierechter op 13 februari 2020. Op de akte van uitreiking staat het parketnummer vermeld van de onderhavige zaak: 16-236232-19. Onder dat parketnummer is uitspraak gedaan over de hoofdzaak en de vordering tot tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke straf in de zaak onder parketnummer 09-827224-17. Op basis van deze stukken ziet de voorzitter geen reden om eraan te twijfelen dat de uitspraak van de politierechter van 13 februari 2020 op 13 juni 2020 om 02.05 uur aan de verdachte in persoon is betekend. Volgens de akte van uitreiking heeft verdachte zich gelegitimeerd met een paspoort, de verbalisant heeft dat nummer op de akte vermeld. Dat de uitreiking 's nachts heeft plaatsgevonden maakt niet dat geen sprake is van een geldige betekening. De termijn is ruim overschreden en er is verder niet gebleken van een verontschuldigbare reden voor het te laat indienen van het hoger beroep.”
Het oordeel van het hof dat de uitspraak van de politierechter van 13 februari 2020 op 13 juni 2020 om 02.05 uur aan de verdachte in persoon is betekend en zich dus een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte toen bekend was, is niet zonder meer begrijpelijk nu de aan de akte van uitreiking gehechte mededeling van die uitspraak als datum vermeldt: 22 juni 2020.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2022.