HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/03477
Datum 2 december 2022
ARREST
in de zaak van
[X1] en [X2] te [Z] (hierna: belanghebbenden),
vertegenwoordigd door N. Roos,
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 juli 2022, nrs. 20/104 PW, 20/106 PW, 20/2434 PW en 20/3486 PW, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nrs. 19/3661, 19/3683, 19/5655 en 20/1639) betreffende besluiten van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam ingevolge de Participatiewet.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen.
De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2022.