HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/03871 B
Datum 20 december 2022
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 3 november 2020, nummer RK 20/557 en RK 20/1566, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
de vennootschap naar Zwitsers recht ‘ [klaagster 1] ’,
gevestigd te [vestigingsplaats] en
de vennootschap naar Slowaaks recht [klaagster 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de klaagsters.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagsters. Namens deze heeft I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagsters in hun cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het beroep is niet-ontvankelijk. De redenen daarvoor staan in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2022.