HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 21/04877
Datum 18 februari 2022
ARREST
In de zaak van
1. [eiser 1],wonende te [woonplaats],
2. [eiseres 2],wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
hierna: [eisers],
tegen
PROVINCIE ZUID-HOLLAND,gevestigd te Den Haag,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de Provincie.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] in hun cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het cassatieberoep is niet ingesteld op de in art. 30c lid 1 Rv voorgeschreven wijze, te weten door indiening van een procesinleiding langs elektronische weg. Ook voldoet de procesinleiding niet aan de eisen van art. 407 lid 3 Rv, nu daarin niet een advocaat bij de Hoge Raad is aangewezen die [eisers] in het geding in cassatie zal vertegenwoordigen. Deze verzuimen konden worden hersteld door dezelfde procesinleiding met inachtneming van de vereisten van de art. 30c en 407 lid 3 Rv opnieuw in te dienen. [eisers] hebben evenwel geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de verzuimen binnen twee weken te herstellen. Dit brengt mee dat zij in hun beroep niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [eisers] niet-ontvankelijk in hun beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 18 februari 2022.