HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/03458 B
Datum 22 februari 2022
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2017, nummers RK 13/1422 en RK 13/1426, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de klager
en
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep dat is ingesteld door de klager
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep dat is ingesteld door de klaagster
Het beroep is ingesteld door de klagers. Cassatiemiddelen zijn namens de klager niet voorgesteld.
Namens de klaagster heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster en de klager in hun cassatieberoepen.
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de klager een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de klager niet in behandeling kan nemen (zie artikel 447 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering).
De klaagster heeft geen belang bij het cassatieberoep, zodat zij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.7 tot en met 4.11.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep van de klagers niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2022.